Christenen hoeven zich niet te schamen
- Opinie
Waarom heten christenen christenen? De ontstaansgeschiedenis van de term biedt een perspectief dat ver afstaat van de beelden en associaties die onze naam vandaag de dag oproept.
Voor de situatie van de niet-Joodse christenen in Klein-Azië schreef de apostel Petrus een rondzendbrief. Zijn lezers bevonden zich in de denkbeeldige cirkel van Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bithinië.
Door heel deze regio was de christennaam bij buitenstaanders bekend, maar niet in positieve zin. Christenen werden gediscrimineerd vanwege hun geloofskeuze. Ze deden niet langer mee met waar ongelovigen plezier in hadden: losbandigheid, wellust, dronkenschap, bras- en slemppartijen en verwerpelijke afgodendienst. Dat werkte vervreemdend en werd hun kwalijk genomen (1 Petrus 4:3-4). Christenen werden het mikpunt van spot en pesterijen. Hun naam voelde als een stigma.
Petrus zegt echter tegen hen: ‘Als u lijdt omdat u christen bent, schaam u dan niet en draag die naam tot eer van God’ (1 Petrus 4:16).
Petrus koppelt het lijden van zijn lezers aan het lijden van Christus. ‘Hoe meer u deel hebt aan Christus’ lijden, des te meer moet u zich verheugen’ (vers 13a). Er ontstaat immers een sterke lotsverbondenheid met de Heer. ‘Als u gehoond wordt omdat u de naam van Christus draagt, prijs u dan gelukkig’ (vers 14a).
Laat de christennaam een geuzennaam zijn, een eretitel
Die gelukwens ontleende Petrus aan de Bergrede: ‘Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van Mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten’ (Matteüs 5:11-12). Jezus zei ‘omwille van Mij’, wat Petrus weergeeft als ‘omdat u de naam van Christus draagt’. Het is een eer om zijn naam te dragen, ook als dat lijden met zich meebrengt. Hier wordt het negatieve etiket van buitenstaanders door Petrus positief geduid: laat de christennaam een geuzennaam zijn, een eretitel. Als zijn lezers dit inderdaad zo hebben leren ervaren, kon deze naam een zelfaanduiding worden.
Geldklopperij
Hoe ontwikkelde zich het gebruik van de christennaam? Dat blijkt uit de manier waarop de term ‘christianos‘ functioneert in de Didachè. Dit document biedt een korte samenvatting van het onderricht van de apostelen, met tal van instructies voor de kerkelijke praktijk. Het is ontstaan gedurende de tweede helft van de eerste eeuw, dus nog tijdens de apostolische periode.
De christennaam komt ter sprake bij reizende bezoekers die de gemeente aandoen. Ieder die ‘komt in de naam van de Heer’ (een zinspeling op Psalm 118:26, Matteüs 21:9; zie ook Johannes 5:43) dient gastvrij ontvangen en voortgeholpen te worden, maar niet langer dan gedurende twee of drie dagen. Als iemand zich in de gemeente wil vestigen en een vak beheerst, moet hij werken voor de kost.
Maar wat te doen met iemand die geen vakman is? ‘Beheerst hij geen vak, volg dan uw eigen inzicht en bedenk hoe hij zonder in nietsdoen te vervallen bij jullie als christen zal leven’ (Didachè 12:4, vertaling John van Eck).
Christianos lijkt hier niet zozeer een naam als wel een praktische aanduiding voor het christelijke leven. Maar deze aanduiding kan in de Didachè probleemloos gebruikt worden door christenen over andere christenen. Toch zit er ook een waarschuwing in verborgen: laat het niet zo ver komen dat de christelijke gemeenschap beschuldigd wordt van klaploperij of geldklopperij vanwege het ontvangen van reizende bezoekers. Dat zou haar reputatie geen goed doen.
Enerzijds is het een door buitenstaanders opgeplakt etiket, anderzijds kan het ook functioneren als een positieve zelfbetiteling
Ignatius, vanaf het eind van de eerste eeuw bisschop van de christelijke gemeente in Antiochië, trekt deze lijn door. Hij benadrukt in zijn brieven dat christen genoemd worden niet genoeg is, men moet het ook zijn (Magnesiërs 4:1 en Romeinen 3:2). Bij hem heeft de naam christianos een dubbele gevoelswaarde: enerzijds is het een door buitenstaanders opgeplakt etiket, anderzijds kan het ook functioneren als een positieve zelfbetiteling. Dit wijst op een groeiend zelfbewustzijn van de christelijke gemeenschap. Toen de Romeinse overheid begon te vragen of men een christen was, veranderde zo’n afgedwongen bekentenis in een vrijmoedige belijdenis: ik ben een christen.
Naamgever
Terugkijkend is het opmerkelijk dat de naam christianos weinig voorkomt in het Nieuwe Testament. Mogelijk waren de eerste christenen terughoudend met het gebruik van deze zelfbetiteling, omdat ze de christennaam te algemeen vonden. Andere nieuwtestamentische aanduidingen zijn specifieker, zoals: gelovigen, heiligen, gemeente, kinderen van God, broeders en zusters, dienaars van de Heer.
Paulus benadrukt in zijn brieven dat gelovigen onder de heerschappij van Christus of in verbondenheid met Christus leven. Naar buiten toe was de christennaam daarom een geschikte aanduiding, waarmee Christus als leider en naamgever van de nieuwe beweging werd betiteld. Maar de eerste christenen beseften dat christen zijn meer omvat dan optreden in de rol van aanhanger, supporter of partijganger van een grote leider. Het is vooral leven in relatie met de grote redder, die is opgestaan uit de dood en ons bij God heeft teruggebracht.
Doorklinken
Hoe staat het tegenwoordig met de christennaam? Naar buiten toe noemen we onszelf christelijk, maar intern gebruiken we vaak een specifiekere aanduiding van de stroming waartoe we onszelf rekenen: katholiek, anglicaans, protestants, gereformeerd, evangelisch. Het beginnende christendom kende zulke stromingen nog niet. Zoals hun naam van Christus was afgeleid, zo hadden de gelovigen hun leven op dat van Hem aangesloten.
Klinkt in óns leven de naam van Christus voldoende door? Die vraag houdt een flinke uitdaging in. Willen we als christenen anno nu onze identiteit ontdekken of hervinden, dan moeten we terug naar onze naamgever en verder met Hem op weg.
Dit is het tweede deel van een tweeluik over de naam christenen. Lees hier het vorige deel: Christenen, wat zijn dat voor mensen?
Rob van Houwelingen is emeritus hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit in Kampen.



