Dominee Bram Beute over omgaan met geloofstwijfel

Erik Koning | 31 oktober 2015
  • Interview
  • Thema-artikelen

Wat moet je als je wel gelooft in God, maar Hem helemaal niet ervaart? Of als je zijn bestaan niet kunt rijmen met de rottigheid die je meemaakt of op het journaal ziet? Wat in ieder geval niet helpt, is het ontkennen van deze vragen, zegt dominee Bram Beute (GKv Kampen). ‘Laten we het er vooral over hebben.’

Bram Beute: ‘Het perspectief dat God belooft, maakt het voor mij mogelijk om te leven.’ (beeld Erik Koning)

Bram Beute: ‘Het perspectief dat God belooft, maakt het voor mij mogelijk
om te leven.’ (beeld Erik Koning)

Bram Beute vertelde in interviews en artikelen openhartig over zijn eigen geloofstwijfel en schreef daarover recent het boek Ik geloof, geloof ik.

Zijn geloofstwijfel is niet iets van de laatste jaren. Hij twijfelde als klein kind al. Dat werd minder in zijn puberteit, maar de twijfel kwam terug zodra hij in Kampen ging studeren. ‘In de studie was weinig ruimte voor twijfel. Ik sprak er wel over met een huisgenoot en enkele medestudenten, maar toen ik het een keer tijdens een college aan de orde stelde, reageerde de docent dat het weinig gelovig was om vragen te stellen bij het bestaan van God. Dat hielp me niet echt verder.’

Later gaf een opmerking van docent Ad de Bruijne meer ruimte. ‘Hij zei op een gegeven moment dat wat we in de geloofsbelijdenis of in de dogmatiek zeggen, onze kennis is voor zover we het op dit moment weten. Dat “voor zover we nu weten” was voor mij erg bevrijdend. Dat bood ruimte voor onzekerheid, voor veranderend inzicht.’

‘De situatie is nu echt anders’, meent Beute. ‘Als je er nu met studenten over praat, vinden ze het heel logisch dat je niet alles zeker weet.’

Twijfel kan voortkomen uit gevoelsmatige overwegingen (het overlijden van een dierbare, de ellende in de wereld) of uit rationele bezwaren (de moderne kennis van het heelal en de evolutietheorie maken God overbodig). Herken je dat onderscheid? En hoe is dat bij jou?
‘Ik zou zeggen dat er drie aspecten zijn: gevoel, verstand en wil. Sommigen willen niet geloven, omdat ze dan allerlei “leuke” dingen niet meer zouden mogen. Dat kom je ook wel in de Bijbel tegen: maak een keuze, committeer je ergens aan. Overigens kunnen deze drie aspecten elkaar natuurlijk ook voeden.

Wat mijzelf betreft: ik heb geen ingrijpende persoonlijke ervaring meegemaakt waardoor ik het geloof kwijtraakte of zo. Ik kan wel heel goed beredeneren waarom we God helemaal niet nodig hebben om de werkelijkheid te begrijpen. En als ik iets voel, neemt mijn denken het gelijk over: nee, dat is onzin, dat kun je ook anders verklaren. Ik heb weinig aanleg om het hogere te ervaren, zeg maar.

Dat wilsaspect herken ik ook. Het heeft iets comfortabels om te denken dat er geen God is die mij ter verantwoording kan roepen en me dwingt mijn zondigheid te erkennen.

Daar staat tegenover dat de wil voor mij juist belangrijk is geweest om wel te geloven. Onlangs stond in de kranten die foto van dat verdronken jongetje op een Turks strand. Dat is hartverscheurend. Maar ik wil niet leven in een wereld waarin dat het laatste woord is. Het is geen stom ongeluk dat mensen doodgaan, en dat is het dan. Het perspectief dat God belooft – dat Hij deze wereld, deze mensheid, nieuw zal maken en dat er recht wordt gedaan – dat maakt het voor mij mogelijk om te leven.’

Daarmee kom je bij de vraag hoe je met geloofstwijfel moet omgaan, ook in het pastoraat. Maakt het daarvoor uit waarom mensen twijfelen?
‘Daar zou ik in het gesprek wel het eerst naar op zoek gaan: wat maakt dat iemand twijfelt, wat zit erachter? Het maakt uit of iemand een traumatische ervaring achter de rug heeft of dat hij moeite heeft met het scheppingsverhaal of dat hij graag alles wil doen wat God verboden heeft.

Stel dat iemand een kind heeft verloren en niet meer kan geloven. Dan kijk je naar hoe lang het geleden is en hoeveel ruimte er geweest is om te rouwen. Als iemand het niet heeft kunnen verwerken, dan moet het eerst daarover gaan, voordat je het überhaupt over God kunt hebben. Het verdriet is terecht en mag er zijn, ook voor Gods aangezicht. Zelfs als iemand dat niet zo beleeft, zou ik dat wel willen laten zien.

‘Ik heb weinig aanleg om het hogere te ervaren’

Soms zegt iemand: “Ik geloof niet meer, maar je mag best bidden als je dat wilt.” Dan geef ik daar in een gebed wel woorden aan. Soms zijn mensen bang dat ze hun pijn en verdriet niet serieus mogen nemen als ze in God geloven. God staat echter niet tegenover ons in het verdriet, maar naast ons. Hij is niet degene die alles geregeld heeft en die we dus kunnen verwijten dat ons kind is doodgegaan. Hij is naar ons toe gekomen in onze ellende en is gekruisigd en wil ons op die manier verlossen. Dat zou ik willen laten voelen.

Op een gegeven moment zou ik wel vragen: wat wil je zelf? Het kan zijn dat mensen niet willen geloven, omdat ze het gevoel hebben dat ze dan net moeten doen alsof het niet zo erg is dat hun kind dood is. Op een bepaald moment is dat nog waar ook. Het geloof relativeert inderdaad het verdriet: niet je kind, maar God staat in het centrum. Dan moet je het aan God overlaten. Kun je dat, wil je dat? Mensen zijn niet alleen slachtoffer van wat er gebeurt, maar kunnen zelf bepalen hoe ze zich daartoe verhouden, ook in het geloof. Maar dit komt uiteraard niet in de eerste gesprekken aan de orde.’

En als iemand twijfelt vanwege rationele bezwaren?
‘Ook dan ligt het er helemaal aan wat iemands insteek is. En weer zou ik vragen naar het commitment. Wat wil je? Zou je wel willen geloven? Of wil je er vanaf wezen? Als iemand werkelijk geïnteresseerd is, dan zou ik bijvoorbeeld wijzen op het boek van Stefan Paas en Rik Peels, God bewijzen. Zij laten zien dat er heel veel vóór is om in God te geloven. Ik zou ook vragen: zet nou eens op een rijtje waarom het zo’n onzin is om in God te geloven. En dan zul je al die rationele bezwaren langs moeten lopen. Als mensen die moeite niet willen nemen, zou ik willen weten waar ze bang voor zijn. Willen ze de controle niet verliezen? Een eenvoudig antwoord is er niet. Er zijn heel knappe koppen die wel in God geloven en heel knappe koppen die niet geloven. Uiteindelijk kan het op rationeel niveau niet worden beslist. Het gaat erom of je wilt geloven.’

Je schrijft ergens dat te veel zekerheid niet goed is. In hoeverre is het goed om te twijfelen? Hoe ga je daar als predikant mee om, vanaf de kansel?
‘Als mensen zaken al te evident vinden, probeer ik te laten zien dat het niet zo is. Daar geeft de Bijbel ook aanleiding toe. Als mensen op hun eigen zekerheid vertrouwen (of dat nu de belijdenis of de Bijbel of de dogmatiek is) en als dat hun vertrouwen op God in de weg komt te staan, dan kaart ik dat aan. Denk aan Jeremia 7: jullie hebben het altijd maar over die tempel, die moet het doen, maar die zal verwoest worden. Paulus zegt iets dergelijks: als het jodendom je identiteit bepaalt, dan komt iets uit de godsdienst centraal te staan in plaats van God zelf.’

Bram Beute: 'Het heeft iets comfortabels om te denken dat er geen God is die mij ter verantwoording kan roepen en me dwingt mijn zondigheid te erkennen.' (beeld Erik Koning)

Bram Beute: ‘Het heeft iets comfortabels om te denken dat er geen God is die mij ter verantwoording kan roepen en me dwingt mijn zondigheid te erkennen.’ (beeld Erik Koning)

Maar breng je gemeenteleden die ‘gewoon geloven’ niet in de problemen door alles te bevragen?
‘Het maakt natuurlijk wel uit hoe je dingen aan de orde stelt. Boven een interview met mij in het Nederlands Dagblad stond: “Ik weet niet zeker of God bestaat”. Dat zou ik niet op die manier in een kerkdienst zeggen. Een kerkdienst is een ontmoeting met God. Alles wat je zegt en doet, staat in dat kader. Een vraag als “bestaat God wel?” kun je daar niet echt aan de orde stellen. Die vraag mag er wel zijn, maar valt buiten het kader van de kerkdienst. Dat is meer iets voor een persoonlijk gesprek.

In de kerkdienst kun je dan nog heel veel zeggen, ook over onzekerheid en twijfel. Kijk maar naar de psalmen, Job, David, Klaagliederen en Jezus zelf. En dan ontstaat er bijna automatisch een soort dialoog: “God, hoe kan dit nou? Luistert U wel? Bent U er wel?”

Ik heb weleens een gebed van Bram van de Beek gebeden, waarin hij verschillende waaromvragen aan God stelt. En vervolgens sloot ik af met: “Amen.” Je hoeft het niet allemaal direct recht te breien; laat de vraag maar even staan. In het vertrouwen dat God daar wel een antwoord op weet. Ik merk dat mensen die worstelen met hun geloof door dat erge wat ze hebben meegemaakt, daar enorm door worden bemoedigd. Ze krijgen er soms hun geloof door terug.’

Zouden we het in de kerk meer over twijfel moeten hebben?
‘In de kerk is er ruimte om te praten over hoe je je geloof beleeft, dus ook over je twijfels en moeiten. Het komt voor dat vragen te snel worden toegedekt, om het “gezellig” te houden. Het moet niet zo zijn dat we het niet over twijfel mogen hebben. Dat gevoel heb ik wel gehad, met als gevolg dat je denkt dat die twijfel er niet mag zijn. Dat heeft er bijna voor gezorgd dat ik mijn geloof ben kwijtgeraakt. Daarom denk ik nu: laten we het er vooral over hebben.’

Hoe zit het met de jongeren in de kerk? Die ervaren twijfel waarschijnlijk heel anders.
‘Naar mijn inschatting worstelen jongeren hier minder mee dan ouderen. Ik krijg soms van oudere mensen positieve reacties op mijn boek, omdat het zo’n opluchting gaf. Jongeren zijn gepokt en gemazeld in het postmodernisme, die weten dat er allerlei opties zijn en dat God er misschien wel niet is. Daar hebben ze al mee leren omgaan.

Aan de andere kant is de samenleving opener geworden, zijn de zuilen weggevallen en nemen jongeren makkelijker afscheid van het geloof van hun ouders. Ze blijven nog wel lid, maar willen niet meer over het geloof praten. Vroeger zou iemand dan met stille trom vertrekken. Als kerken hebben we in de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het goed hebben met elkaar. Daardoor zie je nu dat jongeren die niet meer geloven weliswaar zondags niet naar de kerk komen, maar nog wel vrijdagavond naar de soos. Dan houd je toch contact. En soms komen ze terug, bijvoorbeeld als ze een kind krijgen en dat toch iets willen meegeven.’

Leestip
Bram Beute, Ik geloof, geloof ik, Barneveld (Plateau), 2014.

Over de auteur
Erik Koning

Erik Koning is eindredacteur van OnderWeg.

Meest gelezen

Willem Griffioen: ‘Ik verlang dat Jezus recht maakt wat krom is’

Willem Griffioen: ‘Ik verlang dat Jezus recht maakt wat krom is’

Elze Riemer
  • Interview
  • Ontmoeting

De vrijheid en blijdschap van het evangelie uitdragen – daar leeft voorganger Willem Griffioen voor. Dwars door tegenslag en tegenwerking heen blijft dit zijn drijfveer, als kerkelijk opbouwwerker in Zuid-Afrika, als gemeentepredikant en op dit moment als voorganger en pionier in Amsterdam.

Lees artikel
Frans Korpershoek: ‘Ik ben gaan omarmen wie ik ben’

Frans Korpershoek: ‘Ik ben gaan omarmen wie ik ben’

Wilfred Hermans
  • Achtergrond
  • Interview
  • Ontmoeting

Kijk je hem diep in het hart, dan is Frans Korpershoek een ondernemende wereldverbeteraar. In Maassluis en omstreken staat hij bekend als de oprichter van een goedlopende kringloopwinkel, al kent christelijk Nederland hem vooral als zanger van Sela. ‘Ik voel me nog steeds geen geweldige zanger, maar ik weet wel dat ik een boodschap goed kan overbrengen.’

Lees artikel
‘Een homo is meer dan zijn seksuele verlangens’

‘Een homo is meer dan zijn seksuele verlangens’

OnderWeg
  • Achtergrond
  • Interview
  • Thema-artikelen

Wolter Rose weet al sinds de jaren tachtig dat hij homo is. ‘Overtuigd door het evangelie van Christus’ koos hij voor een celibatair levenspad. En lange tijd was dat in de gereformeerde wereld de geëigende route, maar het tij keert. ‘Vroeger had je wat uit te leggen als je als homo een relatie aanging, nu ben ik degene die wat uit te leggen heeft.’

Lees artikel
Gertjan van Harten: ‘Ik ben niet gespaard, nee’

Gertjan van Harten: ‘Ik ben niet gespaard, nee’

Wilfred Hermans
  • Interview
  • Ontmoeting

In de muziek verkiest Gertjan van Harten – predikant van de GKv Spakenburg-Zuid – een rauwe schreeuw vol oprechte pijn boven een zoetsappig verhaaltje dat haaks op het leven staat. Hij kan het weten. ‘Ze zei: “Mama, ik ben zo bang.” Ik dacht: wij ook, meissie.’

Lees artikel

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief