Eer van je werk
- Woordzoeker
‘Wil iemand zich op iets beroemen,
laat hij zich op de Heer beroemen.’
(2 Korintiërs 10:17)
Was of ben je misschien werkloos? Of vond je het lastig om met pensioen te gaan? Het is ook niet niks. Werk doet veel met je zelfwaardering. Velen zullen de gevoelens van nutteloosheid herkennen, of die neiging om je ontslag tegenover de omgeving ‘in zijn juiste context te plaatsen’.
Waarom gaan werk en zelfwaardering zo hand in hand? Het is natuurlijk een gezond verlangen om je – op welke plek dan ook – in te zetten voor de opbouw van de samenleving. Maar voor een groot gedeelte komt het ook doordat je werk een plek is waar je voortdurend geëvalueerd en al dan niet gewaardeerd wordt. Het begint eigenlijk al bij de sollicitatieprocedure. Je moet beter zijn dan de anderen. Je moet je opleiding, ervaring en kwaliteiten duidelijk profileren, anders maak je sowieso geen kans.
Mannetje
Jezelf neerzetten, daar was Paulus niet zo goed in volgens de christenen te Korinte. In deze gemeente kreeg Paulus dan ook niet veel eer van zijn werk. Vergeleken met andere apostelen die in dezelfde regio werkzaam waren, vonden zij hem maar een zwak mannetje, de aanduiding ‘apostel’ geeneens waardig.
Paulus reageert fel. De verdediging van zijn apostelschap vormt een rode draad door de tweede Korintiërsbrief. Hij wil helemaal niet hoog van zichzelf opgeven. Hij schrijft dat hij zich op geen enkele manier wil vergelijken met apostelen die ‘zichzelf aanprijzen’ en dus domweg zichzelf als maatstaf en norm neerzetten. Zelf werkt hij uitsluitend binnen de grenzen van het hem toegemeten werkterrein, grenzen die God voor hem heeft vastgesteld.
Hij wil wel eer van zijn werk, maar dan eer voor de Heer. ‘Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij zich op de Heer beroemen, want niet wie zichzelf aanprijst is betrouwbaar, maar wie door de Heer wordt aangeprezen’ (2 Korintiërs 10:17-18).
Status
Paulus gebruikt hier woorden uit Jeremia 9:23, een tekst waarnaar hij in een eerdere brief aan de Korintiërs ook al had verwezen (1 Korintiërs 1:31). De passage bij Jeremia betreft een godsspraak in de context van het aangezegde oordeel. De Heer is woedend omdat Israël – zo blijkt uit hun daden – niks van Hem wil weten (Jeremia 9:2, 5).
In zijn woede neemt God zich voor om zijn volk te vernietigen. Want het is onbesneden van hart en wil Hem niet kennen. Maar het enige wat de Israëliet status geeft, het enige waar hij trots op kan zijn, is juist het kennen van zijn Heer – hoe Hij is, waar Hij eigenlijk op uit is: liefde, rechtvaardigheid en recht. Roemen op eigen wijsheid, kracht of rijkdom is volledig uitgesloten (Jeremia 9:22-23).
Waarschijnlijk is het niet toevallig dat Paulus tot tweemaal toe aan deze tekst uit Jeremia refereert. Het kennen van de Heer werd voor hem immers heel tastbare werkelijkheid door zijn ontmoeting met Christus op de weg naar Damascus, een ontmoeting die hem tot in het hart van zijn identiteit heeft geraakt. Dat kun je proeven uit zijn brieven. Christus is voor hem het één en al. Sinds die dag roemt hij niet meer op zijn eigen kunnen. Want het kennen van Christus Jezus, zijn Heer, overtreft voor hem alles (Filippenzen 3:3, 7). Op weg naar Damascus heeft de bewuste tekst uit Jeremia voor Paulus ongetwijfeld gewonnen aan diepte!
Werkterrein
Christenen delen in elk geval dit met Paulus dat ze hun talenten willen inzetten voor de opbouw van Gods koninkrijk. Daarbij heeft God voor ieder van ons de grenzen van het eigen werkterrein uitgestippeld. Wanneer dat patroon zich in jouw leven ontrolt, kan het verrassen, grillig lijken, klein of groot uitgemeten zijn. Maar het belangrijkste is om hierin de Heer te kennen. En dan mag je best eer behalen van je werk: eer voor de Heer.
Om over na te denken
Hoe kun je – heel concreet – God groot maken op de plek waar Hij jou geplaatst heeft?
Myriam Klinker is universitair docent Nieuwe Testament.




