Arie Kok: nieuwsgierige taster naar zingeving

Leendert de Jong | 26 september 2020
  • Interview
  • Ontmoeting

Het voelt vakantie-achtig. Ik rijd over een lange laan naar een oud gebouw, een klooster. Als ik dichterbij kom, zie ik dat het nog niet zo oud is, ook al is de stijl van eeuwen terug. Het biedt plaats aan een Mbo-opleiding, de overige vertrekken zijn voor kleine zelfstandigen. Een van hen is Arie Kok, tekstschrijver en met ingang van de editie van 26 september auteur van de literatuurrubriek in OnderWeg. Wie hij is? ‘Eigenlijk kan ik wel zeggen: daar ben ik al 52 jaar naar op zoek.’

Arie Kok (1968) studeerde HEAO-bedrijfskundige informatica en werkte daarna als ICT-consultant. In 2000 stapte hij over naar de EO; hij was daar Hoofd Internet en later hoofdredacteur van onder meer EO-Visie. In 2012 werd hij zzp’er. Hij werkt voor diverse opdrachtgevers en schreef al enkele boeken, onder meer Morie, Nachtmotet en Zoete Zee. Naast zijn werk is hij voorzitter van het Christelijk Literair Overleg. Arie Kok is getrouwd en heeft drie dochters; met zijn gezin is hij betrokken bij een PKN-gemeente in Amersfoort.

(beeld Hans van Sloten)

(beeld Hans van Sloten)

De kloosterkamer waarin Arie mij ontvangt, is royaal. De wanden zijn bekleed met boeken. En boeken zijn, zo blijkt, een hulpmiddel om hem beter te leren kennen: ‘Als je schrijft, is dat meestal een zoektocht naar wie je bent. Ik heb een boekje geschreven over mijn opa. Dan ontdek je ook iets over wie je zelf bent. Ik maak bladen en boeken. Je kunt ook zeggen: ik vertel verhalen. Op dit moment is dat een nogal hippe term, het is alsof iedereen dat doet. Daarom zeg ik liever: als ik aan een boek bezig ben, dan zoek ik naar de betekenis van dingen. Dat zoeken doe ik eigenlijk permanent. Kortgeleden hadden we vakantie. We waren in Friesland. Ik ga daar niet naartoe zonder mij ingelezen te hebben in de cultuur van die provincie; ik wil begrijpen wie de mensen zijn, wat de geschiedenis is.’

‘Ook mijn vader en opa waren vertellers. Ik herinner mij van mijn vader dat ik hem maar een kluif hoefde toe te gooien, zo van: hoe ging dat ook alweer? Dan wist ik: nu gaat hij vertellen. En dat kon hij. Het vertellen van verhalen is een bepaalde manier van kijken naar de wereld. Misschien is dit het beste te vergelijken met kunstenaars die vaak een wat onderzoekende blik op de wereld hebben: je zoekt naar de bron, je onderzoekt, je vertelt. En zo ontdek je de betekenis van dingen.’

En wie ben jij, achter dit zoeken en achter die verhalen?
‘Een taster, een nieuwsgierige kijker. Ik kijk, ook op straat, mensen aan die langslopen. Ik moet daar wel mee oppassen, zomaar denken ze dat ik iets van hen wil. Ik ben ook een wandelaar. Tijdens het wandelen neem je alles langzaam in je op. Kortgeleden wandelden we rond Bunschoten. Ook dan tast ik naar de menselijke verhalen achter het landschap. Van Bunschoten herinnerde ik mij dat het ooit stadsrechten kreeg. De stadsgrachten liggen er nog. Het was ooit de bedoeling om de stad uit te breiden. Dat is nooit gebeurd. Als ik daar dan loop, probeer ik me dat allemaal voor te stellen.’

Een taster, een zoeker, zeg je. Ben je dat ook als het om geloven gaat?
‘Ik heb daar veel over nagedacht. Waar ik in de kerkelijke gemeente waar wij tot voor kort bij betrokken waren op vastliep, was dat ik de taal zo clichématig begon te vinden. Ik merkte dat ‘we in de kerk’ dingen duidelijk willen zeggen, scherp willen hebben. Ik miste daarin op een gegeven moment een bepaalde gelaagdheid; voor mij heeft geloof ook altijd iets ongrijpbaars. Geloof is ook een mysterie.

Ik sprak laatst voor studenten binnen de Gereformeerde Bond over verzoening in de literatuur. Zij waren al even theologisch bezig met het begrip verzoening. Toen kwam ik. Ik heb hen erop gewezen dat er naar mijn idee rond verzoening altijd een punt komt waarop je moet zeggen: nu stopt het kennen, het begrip. Op dat punt is taal ontoereikend. Wat verzoening precies is, daar kom je nooit helemaal achter. En juist dan begint het verhaal, de verbeelding, er mag bij zo’n begrip iets van mysterie blijven.

De ruimte voor mysterie heb ik nodig. Het is wel zo dat je je door dit soort twijfel zomaar een buitenstaander voelt. Maar voor mij mag twijfel er in de kerk zijn. Toch? Willem Jan Otten schreef ooit: geloof begint met een bres, geslagen in het bolwerk van de twijfel. Daarom schrik ik niet van twijfel; daardoor ga je zoeken en kom je tot kennis.’

Voor mij mag twijfel er in de kerk zijn. Toch?

Doet dit zoeken af aan de waarde van geloof?
‘Nee, integendeel. Het is wel zo dat je iets minder houvast hebt. Maar dit is hoe ik ben.’

Stel dat zich iets verdrietigs voordoet in je leven.
‘Ik herinner mij de tijd van de ziekte van mijn vader. Hij was een heel vrome man, een inspirator ook. Maar in die tijd had hij het moeilijk, hij wist het niet meer. Hij zei: “Ik lijk het kwijt te zijn.” Terwijl ik dacht: nu ben je echt mens! Op zijn sterfbed zei hij: “Een eeuwigheid in de hemel – dat is dat ik bij God ben.” Ik denk dat dit geloof is, dat is het ook voor mij: bij God zijn. Dat vind ik voldoende.’

Nu het over je vader gaat, wat herinner jij van je jeugd?
‘Ik groeide op in Elst, het Utrechtse Elst, voor ongeveer de helft kerkelijk. En als het om kerken in Elst gaat, dan hebben we het over degelijke kerken, de Gereformeerde Bond, de Oud Gereformeerde Gemeenten, later ook de Hersteld Hervormde Kerk. De sfeer thuis was echt die van een Gereformeerde Bondsnest: orthodox. Het geloof en wat daarin meekomt, is belangrijk en tegelijk is er een bepaalde ontspannenheid. Ik denk dat die te maken heeft met het mystieke dat hervormd-zijn in zich heeft. Het idee dat er veel mensen in de kerk zijn die anders denken dan jijzelf geeft ontspanning, meer dan in de kleinere gereformeerde kerken. Hervormden zijn ook niet zo van de discussie.’

En dit klimaat voelde goed?
‘Ik heb nooit de behoefte gevoeld mij hiertegen te verzetten, deze sfeer paste bij mij. Veranderingen hierin zijn bij mij geleidelijk gegaan; wat gebleven is, is de betrokkenheid bij kerk en geloof. Voor mij is trouw aan kerkgang bijna een vanzelfsprekendheid.’

(beeld Hans van Sloten)

(beeld Hans van Sloten)

Ergens las ik over jouw tijd bij de EO dat je daar bekend stond als de nuchtere hervormde jongen.
‘Zo werd ik genoemd. Ik liet mij niet van de wijs brengen als dingen snel emotioneel gebracht werden. Ik herinner me uit mijn tijd bij EO-Internet dat het aanmeldsysteem voor de Jongerendag gehackt was. Collega’s zeiden: dit is een aanval van de duivel, terwijl ik dacht: het zijn rotjochies die zoiets doen. Die nuchterheid is er nu ook nog. Ik trek zaken niet zo snel in het geestelijke. God is de totaal andere. Als ik zijn betrokkenheid bij mensen te concreet maak, dan loop ik daarin vast.’

Terwijl je tegelijk, las ik, veel hebt met ‘hoog-kerkelijke’ zaken als kerkelijk jaar en liturgie.
‘Dat klopt. Als je het kerkelijk jaar niet aanhoudt, krijgt elke zondagse dienst naar mijn idee iets willekeurigs. De voorganger preekt over iets waar hij zelf opkwam, aan dacht. Terwijl het kerkelijk jaar samenhang brengt, de dagen en tijden betekenis geeft. De predikant preekt over iets dat hij niet zelf koos.
De waarde van beide ervaar ik vooral in de stille week. In onze kerk zijn we daar van maandagochtend tot en met Paasmorgen mee bezig. Dan doorlopen we de acht dagen aan de hand van de liturgie. Je voelt dat het elke dag minder wordt, dat het niet de goede kant op gaat. Die ervaring is sterker als je erbij vast, bijna lichamelijk ga je verlangen naar Pasen. Zo leef je intenser. Ik heb dat ook op zondagmorgen, als de klokken geluid worden en we in stilte wachten tot de predikant binnenkomt. Zulke dingen zijn van betekenis: ze laten zien dat een dienst niet alleen van de preek afhangt, die kan zomaar tegenvallen. Het gebouw, de historie ervan, het klokgelui, de stilte, ook die zijn belangrijk.’

En daarom zocht jij naar kantoorruimte in een oud klooster?
‘Nou, het is niet zo’n heel oud klooster hoor. Ik zit hier vooral omdat het betaalbaar is. Het is wel zo dat ik graag werk op een betekenisvolle plek, eerder aan een oude gracht, nu in dit klooster. En ook hier wil ik meer over het gebouw weten. In deze vleugel bijvoorbeeld heeft paus Johannes Paulus II geslapen tijdens zijn omstreden bezoek aan Nederland in 1985.’

Als ik Gods betrokkenheid bij mensen
te concreet maakt, loop ik vast

Arie Kok werkt als zelfstandige. De keus voor die vrije rol van tekstschrijver en later schrijver van boeken was een logische, vindt hij: ‘Als kind liep ik altijd al met boeken onder mijn arm. Ik ging zo’n twee, drie keer per week naar de bibliotheek. Het zoeken, het nieuwsgierige zat er altijd al in. Schrijven deed ik ook al vroeg, voor de jeugdvereniging, het ICT-bedrijf waar ik werkte en in een huis-aan-huis blad.’

Maar dan nog is het een stap om vanuit een vaste baan zzp’er te worden.
‘Dat klopt. Het was toen bovendien geen gemakkelijke tijd. Tegelijk wist ik dat ik iets anders wilde. Een hoofdredacteur heeft maar een beperkte houdbaarheidsdatum. Je moet elke week fris zijn, de redactie scherp houden en creatief blijven. Toen ik voor de achtste keer meewerkte aan de voorbereiding van de Kersteditie van Visie dacht ik: wat nu weer? Daarom heb ik de stap gezet.’

Je zette die in 2012. Een jaar later verscheen je eerste boek, Morie, later kwamen er meer. Boeken worden gerecenseerd. En zomaar is een recensie minder positief. Dat lijkt me niet leuk.
‘Je maakt iets voor het publiek. Daarin lijkt het op de rol van hoofdredacteur: je doet je werk voor lezers. Maar inderdaad, bij een boek staat de kritiek in de krant. Ik heb daar wel een redelijk dikke huid voor ontwikkeld. Maar evengoed: je schrijft voor mensen, dan maakt een kritische recensie je onzeker. De eerste maand kan ik er niet tegen, daarna geeft het niet meer en trek ik er vooral mijn lessen uit.’

Wat opvalt in je boeken, is de aandacht voor historie en voor het Joodse volk. Hoe zit dat?
‘Ik heb inderdaad iets met geschiedenis. En met het Joodse volk, daar ben ik erg in geïnteresseerd, dat oude volk waarmee God een weg gaat die niet helder is, maar wel veel zegt over wie Hij is. Iemand schreef eens: “Auschwitz is zoiets verschrikkelijks, dan moet er wel een God van liefde zijn waar het kwaad zich zó tegen verzet.” Dat maakt mij stil.’

Over de auteur
Leendert de Jong

Leendert de Jong werkt in de media en is oud-hoofdredacteur van
OnderWeg.

Meest gelezen

Willem Griffioen: ‘Ik verlang dat Jezus recht maakt wat krom is’

Willem Griffioen: ‘Ik verlang dat Jezus recht maakt wat krom is’

Elze Riemer
  • Interview
  • Ontmoeting

De vrijheid en blijdschap van het evangelie uitdragen – daar leeft voorganger Willem Griffioen voor. Dwars door tegenslag en tegenwerking heen blijft dit zijn drijfveer, als kerkelijk opbouwwerker in Zuid-Afrika, als gemeentepredikant en op dit moment als voorganger en pionier in Amsterdam.

Lees artikel
Frans Korpershoek: ‘Ik ben gaan omarmen wie ik ben’

Frans Korpershoek: ‘Ik ben gaan omarmen wie ik ben’

Wilfred Hermans
  • Achtergrond
  • Interview
  • Ontmoeting

Kijk je hem diep in het hart, dan is Frans Korpershoek een ondernemende wereldverbeteraar. In Maassluis en omstreken staat hij bekend als de oprichter van een goedlopende kringloopwinkel, al kent christelijk Nederland hem vooral als zanger van Sela. ‘Ik voel me nog steeds geen geweldige zanger, maar ik weet wel dat ik een boodschap goed kan overbrengen.’

Lees artikel
‘Een homo is meer dan zijn seksuele verlangens’

‘Een homo is meer dan zijn seksuele verlangens’

OnderWeg
  • Achtergrond
  • Interview
  • Thema-artikelen

Wolter Rose weet al sinds de jaren tachtig dat hij homo is. ‘Overtuigd door het evangelie van Christus’ koos hij voor een celibatair levenspad. En lange tijd was dat in de gereformeerde wereld de geëigende route, maar het tij keert. ‘Vroeger had je wat uit te leggen als je als homo een relatie aanging, nu ben ik degene die wat uit te leggen heeft.’

Lees artikel
Gertjan van Harten: ‘Ik ben niet gespaard, nee’

Gertjan van Harten: ‘Ik ben niet gespaard, nee’

Wilfred Hermans
  • Interview
  • Ontmoeting

In de muziek verkiest Gertjan van Harten – predikant van de GKv Spakenburg-Zuid – een rauwe schreeuw vol oprechte pijn boven een zoetsappig verhaaltje dat haaks op het leven staat. Hij kan het weten. ‘Ze zei: “Mama, ik ben zo bang.” Ik dacht: wij ook, meissie.’

Lees artikel

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief