Gereformeerd schatbewaarder van katholiek Nederland
- Interview
- Ontmoeting
Geheel in de groene stijl van de familie Krabbendam arriveer ik op mijn OV-fiets bij de bibliotheek van de Radboud Universiteit in Nijmegen. Daar werkt sinds ruim een jaar Hans Krabbendam als directeur van het Katholiek Documentatiecentrum (KDC). Vijftien kilometer aan documenten, boeken, bidprenten en andere religiositeiten heeft hij, als protestant, onder zijn hoede. De functie past hem als een oude jas: ‘Ik voel mij net een schatbewaarder!’
Wie is Hans Krabbendam?
Hans Krabbendam (1964) studeerde geschiedenis in Leiden en in Amerika, promoveerde in 1995, werkte als historicus bij het Roosevelt Study Center, een onderzoeksinstituut voor Amerikaanse geschiedenis in Middelburg, tot hij in 2017 directeur van het Katholiek Documentatiecentrum in Nijmegen werd. Hij is getrouwd met Martine, die aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen werkt. Ze hebben drie studerende kinderen.
Schatten zijn het, die archieven. Ze zijn afkomstig van katholieke instellingen als scholen, vakbewegingen, studentenverenigingen, de KRO en ook van particulieren. Niet van kerken en kloosters, want die worden door de bisdommen en in St. Agatha bewaard. Het KDC wil het katholieke leven vanaf het begin van de negentiende eeuw ‘bewaren en ontsluiten’. En dat sluit aan bij een innerlijke drijfveer van Hans Krabbendam: ‘Ontsluiten. Openen om tot bloei te laten komen wat in de schepping verborgen ligt, daar houd ik van. En dan vat ik schepping niet alleen op als natuur, maar ook als cultuur.’
Hans Krabbendam: ‘Er ligt veel charme en wijsheid verborgen in het archief, het is een weerslag van de enorme dynamiek die in de katholieke gemeenschap tot uiting is gekomen.’ (beeld Anton Dommerholt/RD)
‘Ik geef hier leiding aan ongeveer veertig mensen en zij komen steeds weer met nieuwe ideeën om de mogelijkheden van het archief te benutten, om het van toepassing te laten zijn voor deze tijd. Dat vind ik zeer waardevol. Er ligt veel charme en wijsheid verborgen in het archief, het is een weerslag van de enorme dynamiek die in de katholieke gemeenschap tot uiting is gekomen. Ja, in de korte tijd dat ik hier werk, heb ik al zo veel schatten ontdekt.’
Eenheid
‘De grootste schat vind ik wel die van de eenheid. Soms merk ik hoe mijn protestantse vorming doorwerkt, want wij zijn makers, doeners, en dat krijg ik weleens te horen: “Een katholiek ís, een protestant wordt.” Een katholiek wordt in de kerk geboren, een protestant wordt lid van een kerk. De eenheid van de Rooms-Katholieke Kerk heeft nadelen, maar het is één grote koepel, één dak waaronder samengeleefd wordt. Die eenheid is het anker en dat vind ik fascinerend. Voor protestanten is het enige anker het geloof, maar voor katholieken komen daar de kerk en de traditie bij. En dat is niet alleen maar nadelig, denk ik. Je kunt het zien als een kanaal, waarin het geloof vervoerd wordt. Dat kanaal heeft weleens hoge kademuren, tot verdriet van velen.’
‘Er zijn nogal wat katholieke gelovigen die daar heel hard tegen aanlopen. Want als je bijvoorbeeld na een echtscheiding wilt hertrouwen, dan kun je niet deelnemen aan de communie. Op zo’n moment zijn die eenheid en die centrale besturing een probleem. Maar voor mij is het ook een bron van inspiratie. Wij protestanten hebben wel erg veel dakjes waaronder de gelovigen samenkomen, met evenzoveel muurtjes ertussen.’
Blinde vlek
Van dakjes en muurtjes weet Hans mee te praten: hij groeide op in het kerkse Katwijk, waar zijn ouders, na hun verhuizing uit Utrecht, kozen voor de kleine NGK. ‘De Hervormde Kerk domineerde daar. De rest stond toch wat in de marge, gelovigen aan de zijlijn. Dat voelde ik nog sterker op de gereformeerde school in Rotterdam. Daar heb ik mijn allergie opgedaan voor kerkmuren en ik denk dat daarom die eenheid me zo aanspreekt.’
‘Ik krijg weleens te horen:
“Een katholiek ís, een protestant wordt”’
‘Ik heb hier geleerd dat wij als protestanten een blinde vlek hebben, die je niet ziet als je alleen onder protestanten verkeert. Wij verkiezen vrijheid boven eenheid. We willen allemaal als kerk(led)en onze eigen koers kiezen. Dat vinden wij een groot voorrecht. Terwijl wij het zoeken naar eenheid van de katholieken kunnen leren. Van kerkhistoricus Dick Akerboom leerde ik: “De katholieke kerk gaf de eenheid op en werd ‘Rooms’, toen ze de breuk met orthodoxe kerken liet gebeuren. Toen werd zij een denominatie.” Zoek de christenen die het met je oneens zijn op en praat met hen, is zijn boodschap. Gelukkig is dat proces volop aan de gang. Die bandbreedte, dat streven, dat spreekt me enorm aan.’
Peeldorpjes
Hans trekt een papiertje naar zich toe en doet enthousiast uit de doeken hoe de Rooms-Katholieke Kerk na 1850 opbloeide, toen alle belemmeringen onder de nieuwe grondwet werden opgeheven. ‘Tijdens die bloei, die duurde tot ongeveer 1970, kwam er een enorme stroom los van zelfbewustzijn, van de behoefte om mee te helpen aan de ontwikkeling van het land. Er werden talloze maatschappelijke organisaties opgericht, scholen, ziekenhuizen, kranten, politieke partijen. Tienduizenden religieuzen gingen zich inzetten voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van hun landgenoten. De emancipatie van de katholieken viel samen met die van de arbeider en van de vrouw.
Het was een periode van enorme ontplooiing: men kon zich eindelijk ontwikkelen. Katholieke gelovigen konden eindelijk ontsnappen uit hun Peeldorpjes. Op het hoogtepunt was tien procent van alle missionarissen wereldwijd afkomstig uit Nederland! En al die tijd bleven de katholieken voorzichtig: je moest de protestanten, de bevoorrechte kerk, niet tegen de haren instrijken. Die bleven dominant, alleen al door hun enorme Bijbelkennis. Gelijke behandeling hebben de katholieken echt moeten bevechten en dat deden ze op een bewonderenswaardige manier. Niet met veel lawaai, maar heel creatief. Dan mochten ze bijvoorbeeld geen publieke processie houden, maar bedachten ze de stille omgang. Een prachtige oplossing.’
Vruchtbaar
‘Ik ontdekte onlangs een parallel tussen de afgescheiden protestanten en de katholieken in die tijd. Er waren alleen hervormde theologie-opleidingen, dus gingen de afgescheidenen die predikant wilden worden in de leer bij dominees als De Cock, Scholte en Van Raalte. Ze werden opgeleid in de pastorie, door dominees die net iets meer wisten dan zij. Dat was in die tijd in de katholieke wereld precies hetzelfde. Katholieken mochten ook geen opleidingsinstituut hebben en werden vaak in het buitenland opgeleid of bij ervaren pastoors.’
Hans Krabbendam: ‘De hele streek hier ademt het geloof en de katholieke kerk, ik heb zin om dat nader te gaan verkennen.’ (beeld Nadine Ancher)
Hans heeft bij zijn aanstelling als directeur de opdracht gekregen het KDC te vernieuwen. Samen met het personeel stelde hij een missie op, die hij uitgeprint en op een stuk karton geplakt laat zien. Ik lees hardop: ‘Het katholiek erfgoed vruchtbaar laten zijn voor elk relevant onderzoek…’ ‘Ha!’, onderbreekt Hans mij, ‘zie je dat woord “vruchtbaar”? Dat vonden sommigen een typisch protestants woord. Echt een doe-woord. Zaaien, mesten, greppeltjes graven. “Maar dat hebben we wel nodig!” zeiden ze er meteen bij. Goed hè, daarom voel ik me hier zo thuis!’
Mensenmens
‘Ik ben niet getraind als manager,’ gaat Hans verder, ‘maar ik moet het wel zijn. Er werken hier professionals, geestelijken, vrijwilligers én een handvol mensen “met afstand tot de arbeidsmarkt”, zoals dat zo mooi heet. Dat is dus heel divers. Hoe laat je ze tot hun recht komen? Hoe ga jij dat doen?, vroegen ze aan mij. Toen heb ik ze verteld dat ik kon putten uit mijn ervaring als ouderling. En dat ik mij ervan bewust ben dat ik in een omgeving werk met pastorale kanten. Dat ik me daarom juist als een vis in het water voel, want ik ben een mensenmens. En tegelijkertijd moeten er wel doelen gesteld en gehaald worden, dat is de kunst.’
‘Traditie is kostbaarder dan wij vaak beseffen’
Voor zijn overstap naar de Radboud Universiteit werkte Hans bij het Roosevelt Study Center in Middelburg. Als historicus specialiseerde hij zich in de Amerikaanse geschiedenis en in het bijzonder de migratiegeschiedenis. Maar dit raakt hem dieper, zegt hij: ‘Amerika is een fascinerend land, maar het gaat over daar en het KDC gaat over hier. Het zit dichter op mijn ziel, want het heeft met geloof en cultuur te maken. Ik weet uit eigen ervaring hoe religieuze tradities onder spanning kunnen staan, dus het raakt mij. De hele streek hier ademt het geloof en de katholieke kerk, ik heb zin om dat nader te gaan verkennen. Ik ga hier van de zomer lekker fietsen met mijn vrouw.’
Oppoetsen
‘Toch heb ik me wel even afgevraagd of ik dit werk kon doen. Want paste dat wel, als protestant? Was het wel de juiste plek voor mij? Vooraf aan het sollicitatiegesprek zag ik hier in de studiezaal de spreuk op het katheder van dr. Schaepman. In prachtig houtsnijwerk staat daarop: “Bid en begin…” Dat sprak mij meteen aan! Want zo is het: bidden en beginnen. Vertrouwen dat God er iets mee kan en dan gewoon aan de slag. Dat zag ik als een aanmoediging. En tot nu toe heb ik er geen moment spijt van. Dat komt vooral omdat het doel me zo aanspreekt: rijkdommen oppoetsen, ze presenteren en laten gebruiken voor onderzoek.’
‘Er wordt weleens meewarig gevraagd: “Werk jij in een archief? Wat saai!” Het heeft nog altijd een stoffig imago, maar zo ervaar ik dat helemaal niet. Het is hier voor mij één grote doos van Pandora. En mijn idealisme past bij dat van de hele universiteit: zij wil er echt zijn voor de samenleving. Steeds wordt hier gevraagd: Wat is de waarde van wat je doet? Wat is het maatschappelijke effect van je onderzoek? Niet omdat het altijd iets moet opleveren, maar er heerst hier een oprechte drive om de samenleving te helpen.’
Traditie
‘Het religieuze veld heeft een eigen waarde en dat is een andere dan de politieke. Daarom kan ik als protestant in een katholieke omgeving werken. Ik weet natuurlijk nooit precies hoe het katholieke geloof van binnenuit beleefd wordt. Hoe het proeft en ruikt. Ik ruik wel iets, maar het is voor mij niet verbonden met een herinnering. Ik was onlangs voor het eerst bij een paaswake en dat was een heel zintuiglijke ervaring.’
Hans en Martine gaan in Nijmegen naar de NGK, een jonge, open gemeente met veel studenten. ‘Er is ook een CGK/GKv-gemeente en er wordt nu nagedacht over hoe een samenwerking daarmee eruit zou moeten zien’, vertelt Hans. ‘De Nijmeegse NGK is een inclusieve kerk met een sterk naar buiten gerichte inslag. De gemeenteleden zitten in zeer uiteenlopende fases van geloofsontwikkeling en willen geen energie kwijtraken aan ”intern gedoe”.’ Hans en Martine voelen zich thuis in hun kerk, al behoren ze al tot de ouderen. ‘Laatst werd er gezegd: “Speciaal voor de ouderen zingen we nu ‘Daar juicht een toon’.” “Dat zijn wij, Martine!” zei ik tegen mijn vrouw, haha! Maar ik mis soms de liederen uit het Liedboek. Daar heb je het weer: traditie. Die is kostbaarder dan wij vaak beseffen.’
Theanne Boer is tekstschrijver en journalist.



