‘Kijk naar Jezus: daar begint het echte leven’
- Interview
- Ontmoeting
Als ik achter Myriam Klinker (42) de krakende trap beklim naar haar studeerkamer op de zolder van het oude universiteitsgebouw, vraag ik me twee dingen af. Hoe raakt een jonge, van oorsprong katholieke filosofe, godsdienstwetenschapper en theologe verzeild in de gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit in Kampen? En hoe ervaart zij het om vanuit die specifieke achtergrond te leven en te werken te midden van zo’n totaal andere geloofscultuur?
Myriam Klinker: ‘Het onderzoek aan de TU sloot goed aan bij een verlangen dat ik al van jongs af aan had om beter te leren begrijpen wat Jezus Christus in de geschiedenis zo uniek maakt.’ (beeld Sijmen Reehoorn)
Eenmaal genesteld met een kop koffie onder het geopende dakraam, hoop ik antwoord te vinden op deze en nog veel andere vragen. Net als ik wil beginnen, breekt er buiten een felle ruzie los onder de stadsmussen; inzet is het vinden van de beste plekjes in de oude bomen in de tuin achter het gebouw. De ‘vogelstrijd’ geeft in ieder geval een ontspannen start van het gesprek over leren geloven met je hart, over het ontdekken van Gods persoonlijke weg met je leven en over de kracht van zijn genade.
Hoe ben jij – met je katholieke achtergrond, vrouw, moeder van drie kinderen – in dit gereformeerd-vrijgemaakt bolwerk van godgeleerde mannen beland?
‘Ik geloof echt dat God me hier heeft gebracht. Van tevoren had ik dat nooit zelf kunnen bedenken. Met het brede spectrum aan protestantse kerken was ik niet echt vertrouwd. En van het bestaan van een Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) wist ik al helemaal niets. Dat veranderde pas toen ik mijn Nederlandse man Ron Klinker leerde kennen tijdens een watersportvakantieweek met gehandicapten. We ontdekten dat er niets geregeld was voor de zondag, terwijl we allebei wel graag een kerkdienst wilden bijwonen. Er was alleen een protestantse kerk in de nabije omgeving. Daar zijn we toen met enkele anderen naartoe gegaan. Die week hadden we veel gesprekken over onze verschillende achtergronden en over hoe we het geloof in God beleefden: hij als GKv’er en ik als rooms-katholiek.
Van het bestaan van een Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt)
wist ik al helemaal niets’
We voelden wel iets voor elkaar. Toch duurde het uiteindelijk nog zes jaar voor we opnieuw contact kregen en echt aan een relatie begonnen. Niet veel later besloten we te trouwen. We kozen ervoor in Nederland te gaan wonen. Net getrouwd met Ron en zonder baan in het vooruitzicht, besloot ik in 2004 een open sollicitatie te sturen naar de TU. Ik was inmiddels zelf ook van harte gereformeerd-vrijgemaakt geworden. Professor Rob van Houwelingen nodigde me uit voor een gesprek. We hadden elkaar al iets eerder ontmoet tijdens de Kamper Bijbeldagen, een tweedaagse conferentie over het Oude en Nieuwe Testament aan de Protestantse Theologische Universiteit. Enkele maanden later kreeg ik een aanstelling als junior onderzoeker Nieuwe Testament voor een promotieonderzoek naar de brieven van Paulus aan Timoteüs en Titus.’
De katholieke en de gereformeerd-vrijgemaakte geloofstraditie verschillen nogal van elkaar. Wat trok jou zo aan in het gereformeerde belijden?
‘Twee dingen spraken mij vooral aan: de ongecompliceerde belijdenis dat Jezus Christus voor mijn zonden stierf en de openheid voor het historische karakter van Bijbelverhalen. Wat dat eerste punt betreft: ook in de rooms-katholieke traditie neemt verzoening van zonden door het offer van Jezus een belangrijke plek in. Maar toch kwam die gedachte, dit belijden, tijdens mijn studie aan de Katholieke Universiteit Leuven nauwelijks aan bod. Het katholieke geloof waarmee ik opgroeide, was nogal “verlicht”. Om het geloof aannemelijker te maken, zette men in de prediking bijvoorbeeld Jezus liever als het grote voorbeeld neer dan als onze verlosser of de Zoon van God. Ook het catechese-onderwijs was nogal horizontaal.
Wat mij daarnaast aantrok in de GKv was de aandacht voor de historische gebeurtenissen die ten grondslag liggen aan de Bijbel. Dat bleek ook één van de belangrijke oriëntaties in het werk van professor Jakob van Bruggen en in zijn spoor van Rob van Houwelingen. Het sloot goed aan bij een verlangen dat ik al van jongs af aan had om beter te leren begrijpen wat Jezus Christus in de geschiedenis zo uniek maakt. Waarom zou ik eigenlijk geloven in een persoon die tweeduizend jaar geleden heeft geleefd?’
Was je dan als kind al zo bezig met God en het geloof?
‘Ik had altijd al wel een vanzelfsprekend gevoel van verbondenheid met God, hoewel ik weinig vertrouwd was met de verhalen uit de Bijbel of de kinderbijbel. Katholieken lezen thuis nauwelijks in de Bijbel, dit gebeurt voornamelijk in de kerk. De preek na de Bijbellezing is erg kort, maar de rituele beleving is weer veel sterker dan in de protestantse diensten. Als je de kerk binnengaat, word je vanzelf stil uit eerbied voor God, die je kunt ontmoeten in deze “heilige ruimte”. Dit aanvoelen van het heilige dwingt eerbied af en tegelijk brengt het God ook heel dichtbij.
Waarom zou ik geloven in een persoon die
tweeduizend jaar geleden heeft geleefd?’
Zo heb ik dat ook zelf vanaf mijn kindertijd ervaren. Ik voelde dat God altijd dichtbij was. Met veel interesse volgde ik dan ook de catecheselessen in onze parochie. In ons gezin werd regelmatig gebeden en op school leerde ik veel van mijn leraar godsdienst, die een sterk heilshistorisch besef had. Dat maakte dat ik steeds meer honger kreeg naar kennis over God en wie Hij is. Zo groeide in mij het verlangen zelf iets voor God te mogen doen.’
Was er bij jou thuis begrip en ruimte voor dat verlangen?
‘Mijn ouders waren trouwe kerkgangers en ik ging graag met hen mee naar de kerk. We maakten deel uit van een kleine, maar levendige dorpsparochie, met een koor waarvan mijn vader dirigent was. Dat deed hij naast zijn werk voor de Europese Commissie in Brussel. Mijn moeder had een orthodontistenpraktijk aan huis. Zo combineerde zij haar werk met het gezin. We waren met zes kinderen: ik heb twee broers boven mij en onder mij nog twee broers en een zus.
De keuze voor een studie theologie vormde voor mijn ouders geen probleem, integendeel. Ook mijn vader had theologie gestudeerd, maar koos uiteindelijk toch voor economie. Hij adviseerde mij wel om eerst mijn kandidaats filosofie te halen. Door het volgen van bepaalde keuzevakken was vervolgens de stap naar godsdienstwetenschappen en theologie niet heel groot. Tijdens mijn studie ging ik me verdiepen in de brieven van Paulus. Voor hem bestond er geen twijfel over: Jezus’ kruisdood en opstanding betekenden een omslag in de geschiedenis van de hele mensheid. Dat geloof trok zijn spoor in Paulus’ persoonlijke leven.’
Myriam Klinker: ‘Tegenover de doorgeschoten nadruk op onze eigen zelfontplooiing zie ik een christelijke spiritualiteit in ieder geval als “cruciform” (kruisvormig).’ (beeld Ron Klinker)
Wat was je eerste baan na je studie?
‘Ik ben godsdienstlessen gaan geven op een middelbare school. De meeste jongeren die ik in de klas had, gingen niet naar de kerk en hadden niks met geloof. Ik moest beginnen bij de basics en dit confronteerde mijzelf steeds opnieuw met het hoe en waarom van mijn geloof. Pittig, maar ontzettend goed.’
Ondanks al die positieve ervaringen in je katholieke jeugd koos je ervoor om je aan te sluiten bij de GKv, na je huwelijk met Ron. Hebben jullie overwogen om samen lid te worden van een andere protestantse kerk?
‘Nee, eigenlijk niet. De GKv had een bepaalde aantrekkingskracht om de daarnet genoemde redenen. Misschien was ik ook voorgesorteerd voor die keuze door mijn fascinatie voor de brieven van Paulus: hoe hij Jezus Christus en genade telkens in één adem noemt. Toen Ron en ik verkering kregen, begreep ik uit de vele gesprekken met Ron, en met dominee Bas Luiten die mij catechisatie gaf, dat er juist in de GKv veel aandacht is voor die genadekant van het evangelie. Dat is één van de redenen waarom ik het gereformeerde belijden met overtuiging kon omarmen.’
Je bent in 2016 aan de TU gepromoveerd op de brieven van Paulus aan Timoteüs en Titus. Je onderzoeksvraag was: waren dat herderlijke instructies van zijn eigen hand of ging het om een soort inburgeringscursus onder Paulus’ naam voor christenen die later leefden? Blijft Paulus je nog steeds boeien?
‘Zeker weten. In Leuven heb ik mijn theologiestudie afgerond met een masterthesis over het lijden van christenen in de paulinische brieven. Waarom kon Paulus zo positief schrijven over het lijden van christenen om hun geloof in Jezus? Hoezo kan hij lijden “genade” noemen? Op de achtergrond speelde voor mij de vraag waarom een God die liefdevol en almachtig is, al dat lijden toch toelaat.
‘In het Westen hebben we best een
problematische verhouding met lijden’
Het onderzoek naar het lijden van de eerste christenen heb ik recent weer opgepakt. Ik gebruik daarbij inzichten uit cultureel-antropologisch onderzoek over de invloed van eer en schaamte in mediterrane culturen. Hoe belangrijk was die beleving van schaamte en eer bij de eerste christenen? En hoe is dat verweven met hoe christenen destijds hun lijden geduid hebben? Kan inzicht daarin bijdragen aan het ontwikkelen van een authentiek-christelijke spiritualiteit in onze westerse setting?
In het Westen hebben we best een problematische verhouding met lijden. En toch neemt het een belangrijke plek in binnen het christelijke geloof. Gods liefde voor ons ging dwars door lijden heen. Echte liefde vraagt kennelijk veel. “Wie zijn leven verliest omwille van Mij, die zal het behouden”, zegt Jezus. Die spanning loopt als een rode draad door het evangelie.’
Hoe zou je authentiek-christelijke spiritualiteit willen omschrijven?
‘Spiritualiteit gaat volgens mij over de kern van waaruit je leeft als christen. Wat je gelooft en belijdt en hoe zich dat verwerkelijkt in je dagelijkse leven. Dat bepaalt ook de grenzen waarbinnen je leeft. Sartre merkte niet voor niets op dat autonoom leven een vrijheid geeft die eigenlijk niet te dragen is. Ondanks het optimisme over het eigen kunnen en de maakbaarheid van het leven, is de ervaring van mensen in het Westen dat ze – als het eropaan komt – met lege handen staan.
Tegenover de doorgeschoten nadruk op onze eigen zelfontplooiing zie ik een christelijke spiritualiteit in ieder geval als “cruciform” (kruisvormig), om met theoloog Michael Gorman te spreken. Willen we als gemeenschap van christenen getuigen van Gods liefde en bevrijdende kracht, dan zullen we bereid moeten zijn om af te sterven aan onszelf en ons in alles van Hem afhankelijk te weten. Kijk naar Jezus: daar is ruimte voor liefde. Daar begint het echte leven.’
Elise Lengkeek publiceert literaire non-fictie, is tekstschrijver en journalist.



