‘Het rare is dat het me lukt om alleen te zijn’

Elze Riemer | 17 maart 2018
  • Interview
  • Ontmoeting

Drie jaar geleden verloor Ytje Veefkind haar man, predikant en dichter Koos Veefkind, aan de gevolgen van een hersenbloeding. ‘Ik was 18 toen ik hem leerde kennen en 72 toen ik afscheid van hem moest nemen. Ik dacht altijd dat ik niet verder zou kunnen als hij er niet meer zou zijn. Maar het rare is dat nu het zover is, het me lukt om alleen te zijn. God heeft me er echt doorheen gesleept.’

Ytje Veefkind-Eenkhoorn (75) is de weduwe van ds. Koos Veefkind, emeritus-predikant van de NGK Amersfoort-Noord en dichter. Hij overleed in 2015. Ytje Veefkind schreef een aantal jaren een column in Opbouw, die zeer gewaardeerd werd.

Na ruim vijftig jaar huwelijk is afscheid nemen hartverscheurend. Toch overheerst bij Ytje Veefkind de dankbaarheid: ‘God heeft ons aan elkaar gegeven. Zeker de laatste jaren van ons huwelijk kwam dat gevoel sterk naar voren. We waren zo dankbaar voor elkaar. In één van zijn laatste heldere momenten zei hij tegen me dat ik het beste ben dat hem was overkomen. En ik dacht bij mijzelf: waar was ik geweest als ik jou niet had gehad?’

Ytje Veefkind: 'In de onderzoekscommissie over de vrouw in het ambt was ik de enige die geen universitaire opleiding had gedaan. Mooi, dacht ik, dan vertegenwoordig ik het “gewone kerkvolk”.'

Ytje Veefkind: ‘In de onderzoekscommissie over de vrouw in het ambt was ik de enige die geen universitaire opleiding had gedaan. Mooi, dacht ik, dan vertegenwoordig ik het “gewone kerkvolk”.’

Toch lukt het om nu alleen te zijn, zegt u.
‘Ja, ondanks het verdriet dat hij er niet meer is. Dat dit kan, is alleen maar mogelijk doordat God in alles bij mij is. Meer dan ooit heb ik dat in de afgelopen jaren gemerkt. Allereerst door mijn kinderen, kleinkinderen en andere lieve mensen door wie ik omringd word. Daardoor is mijn geloof versterkt. Vroeger kon ik wakker liggen van het piekeren, bijvoorbeeld als er iets speelde in de gemeente, terwijl Koos naast me lekker lag te slapen. Hij kon het parkeren, ik niet. Nu kan ik dat beter. Natuurlijk, ik sta er nu alleen voor en dan kan ik zomaar weer een nacht wakker liggen als er iets gebeurd is in het gezin van één van onze vijf kinderen. Dan lach ik mezelf maar eens uit, want waar maak ik me nou zorgen om? God zorgt toch voor een oplossing? Het klinkt allemaal misschien heel vroom. Nou, dat ben ik echt niet hoor.’

Wat bedoelt u daarmee?
‘Ik vind mezelf een zondig mens, helemaal niet vroom. Ik wil niet de indruk wekken dat ik ontzettend onder zonden gebukt ga. Toch steekt het idee dat we door en door slecht zijn altijd weer de kop op, dat is er zo in gehamerd vroeger. Dat het de genade van God is dat we het goede kunnen doen, en dat we vanuit onszelf alleen maar voor het kwade zouden kiezen.’

Dat klinkt wel heel zwaar.
‘Ik sta er nu wel anders in. Nu denk ik: nou, dat heb ik best goed gedaan. Om daarna onmiddellijk weer te denken: ik moet mezelf niet verheffen, niet op de borst slaan. Dat zit me soms wel in de weg. Ook met dit gesprek. Voordat jij kwam, heb ik God gevraagd of Hij mij wil geven dat ik mezelf niet mooier voordoe dan ik ben.’

‘Dan lach ik mezelf maar eens uit,
want waar maak ik me nou zorgen om?’

Maar u bent naar Gods beeld geschapen. Zegt dat niet iets over hoe mooi u bent?
‘Ja, ik ben er nu ook wel anders over gaan denken. Door Joyce Meyer notabene (Joyce Meyer is een Amerikaanse Bijbellerares die jarenlang ook op de Nederlandse televisie te zien is geweest, ER). Ik weet nog wel dat ik haar op televisie eens voorbij hoorde komen en dacht: wat een schreeuwlelijk is dat. Ik kon met Koos altijd alles delen, maar na zijn overlijden was ik ook mijn gesprekspartner kwijt en zijn feedback. Daarom stond ik nu meer open om naar Joyce te luisteren. Van haar leerde ik dat als ik zo slecht over mezelf denk, ik God beledig. Dat heb ik wel ter harte genomen.’

Toch bidt u specifiek voor dit gesprek of God u wil helpen om uzelf niet mooier voor te doen dan u bent. Waar komt dat gebed vandaan?
‘Ik ben huisvrouw. Ja, ik heb wat columns geschreven in Opbouw, die wel werden gewaardeerd. Ik heb een middelbare opleiding gedaan, mezelf wat bijgespijkerd met cursussen Nederlandse taal- en letterkunde omdat daar mijn interesse lag. Uitgesproken geleerd of getalenteerd ben ik niet. Daarom schroomde ik toen ik voor dit interview werd gevraagd. Net zoals toen ik werd gevraagd voor de onderzoekscommissie over de vrouw in het ambt. Ik was verbaasd! Toch zei ik ja, ik voelde me zeer vereerd.

Op de eerste vergadering bleek dat ik de enige was die geen universitaire of soortgelijke opleiding had gedaan. Mooi, dacht ik, dan vertegenwoordig ik het “gewone kerkvolk”. Daarna was ik vier jaar lang ouderling. Voor de eerste kerkenraadsvergadering had ik een boterkoek gebakken die een beetje mislukt was, maar wel nog lekker. Aan de hand daarvan introduceerde ik mezelf: “Ik ben de vrouw met het halve talent. Ik kan van alles een beetje, maar doe niets echt fantastisch.”’

‘Ik heb me nooit, nooit minder gevoeld dan mijn man’

Heeft u dat gevoel al uw hele leven?
‘Voordat ik Koos leerde kennen, had ik weinig zelfreflectie; ik vond dat ik het wel aardig met mezelf had getroffen. Ik werd wat nederiger toen ik met hem trouwde.’

Is dat misschien het kruis dat u moest dragen, als domineesvrouw? Dat u altijd in de schaduw stond van uw man?
‘Dat gevoel heb ik nooit gehad. Ik had echt mijn eigen dingen. Koos had het zonder mij ook niet gered, alleen in de pastorie. Hij was iemand die heel graag studeerde, het sociale gedeelte ging bij hem moeilijker. Toen ik lang geleden met een aanstaande dominee verkering bleek te hebben, dacht ik: vrouw van een dominee zijn, dat is me eigenlijk op het lijf geschreven.

Ik vond het heel fijn om mensen in de gemeente te bezoeken en te ontvangen, om gastvrij te zijn, om een open pastorie te hebben. Koos was zeer met mensen begaan, maar meer in de zwaarte, in het samen oplopen in moeilijke tijden. Ik was meer van het gewone, het praktische. Daarin vulden we elkaar prachtig aan. We hebben elkaar ook geestelijk kunnen steunen. Dat ik geworden ben wie ik ben en dat hij geworden is wie hij was, hebben we aan elkaar te danken. Ik heb me nooit, nooit minder gevoeld dan mijn man.’

Ytje Veefkind: 'Ik vond het heel fijn om mensen in de gemeente te bezoeken en te ontvangen, om gastvrij te zijn, om een open pastorie te hebben.'

Ytje Veefkind: ‘Ik vond het heel fijn om mensen in de gemeente te bezoeken en te ontvangen, om gastvrij te zijn, om een open pastorie te hebben.’

Wat betekende uw man voor u?
‘Ik denk dat hij echt mijn tegenover was. Ik had geen betere man kunnen treffen, ondanks alle dieptepunten in ons huwelijk, die we ook hebben gehad. Maar we hebben elkaar kunnen vergeven. In de laatste weken voor zijn overlijden vroeg hij dat nog eens aan mij: “Wil je mij vergeven waar ik je pijn heb gedaan?” Toen zei ik tegen hem: “Ik heb jou ook pijn gedaan.” We hebben elkaar op bepaalde momenten niet begrepen. Hij was mijn gave en opgave, zei hij de laatste avond voor hij in coma raakte. Toen hij overleed, was ik vooral heel dankbaar dat hij niet verder hoefde af te takelen. En ook dankbaar dat ik zo lang met hem heb gekregen. We zijn bijna 52 jaar getrouwd geweest.’

Was het liefde op het eerste gezicht?
‘Nee, integendeel. We hadden een wonderlijke start. Mijn opa en tante in Kampen hadden een groot huis, waarvan ze kamers verhuurden aan onder andere theologiestudenten. Ik ging daar vaak logeren tijdens vakanties, dan waren de studenten naar huis. Behalve een keer Koos Veefkind, die nog een scriptie moest afmaken. Toen ik hem voor het eerst zag, hij 27 en ik 18, kwam hij de kamer binnen terwijl een sopraan “I know that my Redeemer liveth” uit de Messiah jubelde. Koos stelde zich lekker afstandelijk voor. Dat jaar was ik trouwens hevig verliefd op een jongen uit Kampen, maar die had inmiddels iemand anders. En laat Koos nou verliefd zijn op het meisje waar die jongen verkering mee had. Mijn tante wist zulke dingen. Ik besefte dus dat we in hetzelfde schuitje zaten.

In de loop van die week raakten we telkens met elkaar in gesprek. Later schreven we met elkaar. Het was een bijzondere vriendschap. Toen hij me op een mooie herfstzondag van dat jaar vroeg of ik zijn meisje wilde zijn, was ik toch verrast. “Zeg dat nog eens”, zei ik heel onnozel. En dat deed hij en ik heb ja gezegd.’

Waarom?
‘We bleken een soort zielsverwantschap te hebben. Het was goed wat wij hadden. Toen ik hem beter leerde kennen, ontdekte ik dat hij een heel serieus, wat teruggetrokken mens was. Hij herkende zichzelf in de boeken van Ernst Wiechert, een bekende Duitse schrijver. Ik las die boeken en werd erdoor geraakt. Het trok me aan. Ik begreep de betekenis van deze schrijver voor Koos. Gelukkig had Koos bij alle ernst ook een geweldig gevoel voor humor. Er werd wel gelachen bij ons, hoor.’

Hoe heeft u de laatste fase van het leven met uw man ervaren?
‘Dat heeft al met al veertig dagen geduurd, dagen die in 2015 ook nog precies in de lijdenstijd vielen. Het waren echt lijdensweken. Zwaar, verdrietig, maar ook heel mooi. Hij is te midden van zijn gezin gestorven. Maar hij had ook onrustige episodes.

Ik dacht dat hij de laatste jaren de kerkelijke problemen als gevolg van de scheuring van 1967 eindelijk een plek had gegeven. Maar in die onrustige, nachtmerrieachtige nachten kwam alles weer voorbij. “Die kerkelijke rommel in mijn hoofd”, of: “Is de synode al voorbij?”, riep hij in verwarring. Dat schokte mij. Zo diep zat die kerkelijke narigheid dus. Ik moest iedere keer weer zeggen: “Dat is allang voorbij. Er is weer toenadering met de vrijgemaakten. Je hebt zelf ook weer in Buitenpost gepreekt.” Dat heeft voor ons beiden zo veel betekend, maar voor hem in het bijzonder. Dat hij weer op die preekstoel mocht staan! Het triomfantelijke “I know that my Redeemer liveth” was in de dankdienst voor zijn leven het laatste lied.’

Nu moet u alleen verder. Hoe kijkt u naar de jaren die nog komen?
‘Ik denk dat ik 16 was toen de dominee een gedeelte uit Psalm 37 voorlas: “Wentel uw weg op de HEERE, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken.” Ik weet nog heel goed dat ik toen dacht: als ik dat nou eens echt ga doen. In alle jaren daarna heb ik dat in allerlei uiteenlopende situaties echt geprobeerd te doen. Ook nu houdt die tekst mij overeind. Daarom heb ik vertrouwen in de toekomst, want God is trouw. Hij zal zijn beloften nakomen. Ik kijk daarnaar uit.’

Over de auteur
Elze Riemer

Elze Riemer is godsdienstwetenschapper en journalist.

Meest gelezen

Willem Griffioen: ‘Ik verlang dat Jezus recht maakt wat krom is’

Willem Griffioen: ‘Ik verlang dat Jezus recht maakt wat krom is’

Elze Riemer
  • Interview
  • Ontmoeting

De vrijheid en blijdschap van het evangelie uitdragen – daar leeft voorganger Willem Griffioen voor. Dwars door tegenslag en tegenwerking heen blijft dit zijn drijfveer, als kerkelijk opbouwwerker in Zuid-Afrika, als gemeentepredikant en op dit moment als voorganger en pionier in Amsterdam.

Lees artikel
Frans Korpershoek: ‘Ik ben gaan omarmen wie ik ben’

Frans Korpershoek: ‘Ik ben gaan omarmen wie ik ben’

Wilfred Hermans
  • Achtergrond
  • Interview
  • Ontmoeting

Kijk je hem diep in het hart, dan is Frans Korpershoek een ondernemende wereldverbeteraar. In Maassluis en omstreken staat hij bekend als de oprichter van een goedlopende kringloopwinkel, al kent christelijk Nederland hem vooral als zanger van Sela. ‘Ik voel me nog steeds geen geweldige zanger, maar ik weet wel dat ik een boodschap goed kan overbrengen.’

Lees artikel
‘Een homo is meer dan zijn seksuele verlangens’

‘Een homo is meer dan zijn seksuele verlangens’

OnderWeg
  • Achtergrond
  • Interview
  • Thema-artikelen

Wolter Rose weet al sinds de jaren tachtig dat hij homo is. ‘Overtuigd door het evangelie van Christus’ koos hij voor een celibatair levenspad. En lange tijd was dat in de gereformeerde wereld de geëigende route, maar het tij keert. ‘Vroeger had je wat uit te leggen als je als homo een relatie aanging, nu ben ik degene die wat uit te leggen heeft.’

Lees artikel
Gertjan van Harten: ‘Ik ben niet gespaard, nee’

Gertjan van Harten: ‘Ik ben niet gespaard, nee’

Wilfred Hermans
  • Interview
  • Ontmoeting

In de muziek verkiest Gertjan van Harten – predikant van de GKv Spakenburg-Zuid – een rauwe schreeuw vol oprechte pijn boven een zoetsappig verhaaltje dat haaks op het leven staat. Hij kan het weten. ‘Ze zei: “Mama, ik ben zo bang.” Ik dacht: wij ook, meissie.’

Lees artikel

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief