Student Jeroen Bakker zag de dood voor ogen

Gerry Bos-Kaptein | 23 januari 2016
  • Interview
  • Thema-artikelen

Zelf besefte hij niet dat hij net langs de poort van de dood was gegleden toen hij zijn ogen opsloeg in het bed op de intensive care. ‘Ik zag alleen maar de blije gezichten van mijn ouders. Ik voelde wel dat ik heel zwak was en er zaten vijftien slangen en dingen aan mijn lijf.’ Theologiestudent Jeroen Bakker liet in 2014 bijna het leven. Na zijn herstel verwerkte hij zijn ervaringen in zijn bachelorscriptie. ‘Het had me geschokt hoe ingrijpend lijden kan zijn.’

Jeroen is 22 jaar als hij vanwege de complicaties van een blindedarmontsteking in kritieke toestand in het ziekenhuis wordt opgenomen. De artsen doen wanhopige pogingen om zijn leven te redden. Ze snijden het aangetaste weefsel in zijn buikwand weg en pompen hem vol met antibiotica. Zijn lichaam raakt in een overdrive, wat maar heel kort vol te houden is. Het is vooral op maandag heel kritiek.

Opeens stopt het dodelijke proces. ‘Op een dinsdag, toen werd ik dus wakker op de IC’, herinnert Jeroen zich. ‘Het enige wat ik me nog kon herinneren, was hoe ik mijn duim opstak naar mijn vader toen ze me vrijdags op een bed wegreden. Ik had toen niet door dat het erg gevaarlijk was; ik had al veel morfine tegen de pijn gekregen. Maar mijn ouders dachten: we gaan onze zoon verliezen.’

Jeroen geneest volledig en ruim een jaar later, in het voorjaar van 2015, geeft hij zijn ervaringen een plaats in zijn bachelorscriptie aan de Theologische Universiteit Kampen. Hij bestudeert de omgang met de dood in Prediker 9 en Psalm 16 en combineert die gegevens met het boek My Bright Abyss van Christian Wiman (zie kader). De scriptie wordt hooggewaardeerd en maakt veel goed van het verlies van een studiejaar door zijn ziekte.

Welke ervaringen rond je ziekte hebben je het meeste aan het denken gezet?
‘Het was een hele knokpartij om terug te keren naar het gewone leven. Ik moest de wereld in kleine stapjes heroveren. Het was eerst absurd en heel wonderlijk dat er opeens geen nieuwe schade meer was en de bacterie was overwonnen. Echt een wonder. Kort daarna kon ik al van de IC af en kwam ik een tijd op een kamer alleen te liggen. Ik moest uit die leegte van niets kunnen mezelf weer gaan vullen. Zo voelde dat. Door een hevelslang in mijn maag kon ik een tijd niet praten. Ik kon dus niets uiten, terwijl ik zoiets heftigs meemaakte.

De eerste keer rechtop zitten in bed, de eerste keer op een stoel zitten en dat een minuut volhouden: ik raakte erdoor ontroerd. Daarna was weer leren eten een heel ding. Ik leefde in heel kleine stapjes. Elk stapje zat ook vol frustratie en zo groeide ik dan weer toe naar het volgende stapje dat ik kon maken. Eenmaal thuis, vier weken later, probeerde ik sterker te worden door elke dag een stukje buiten te lopen. “Vandaag tot dat struikje met die gele bloemetjes”: dat soort doelen stelde ik mezelf. Ik ervoer dat als heel eenzaam.’

Hoe ging het met je studie?
‘De studie weer oppakken viel eerst tegen. Ik dacht in het halfjaar dat ik thuis zat: ik ga weer naar Kampen en studeer dan een dag of twee en dan kom ik weer terug. Maar als ik dat probeerde uit te voeren, bleek ik met een halve dag de bodem van mijn energie bereikt te hebben. Ik heb dus dat hele jaar zo’n beetje verloren.’

Je was in gevecht met je lichaam. Hoe ging het geestelijk met je?
‘Het moeilijkste vond ik misschien nog wel dat mijn horizon zo klein was toen ik ziek was. Vooral in het ziekenhuis, maar ook daarna. Ik was afhankelijk van de trouw van andere mensen. Je hebt mensen nodig die niet wachten op jouw vraag. Dat liep niet altijd lekker.

Ik voelde me in de steek gelaten door mijn eigen lichaam, ik voelde me niet meer een eenheid in mezelf. Ik had hallucinaties: spiraalvormige druiventrossen of van die verontrustende plaatjes waar iets niet aan klopte, te veel ogen of hoofden of pootjes. Dat doet veel met je geest. Ik werd er heel moe van en het gaf een diep gevoel van misère. Ik had weinig ruimte om te bidden. Maar God was er wel als een soort onderliggende aanwezigheid, al drong dat toen niet zo bewust tot me door.’

Waarom heb je ervoor gekozen om op je ‘bijna dood’ te reflecteren in je scriptie en daarbij zowel Christian Wimans ervaringen als Prediker 9 en Psalm 16 te gebruiken?
‘Toen ik mijn studie en oude leven weer oppakte, kreeg ik behoefte aan reflectie op wat er met me gebeurd was. Het had me geschokt hoe ingrijpend lijden kan zijn en dat eenzaamheid en pijn je een tijdlang kunnen bepalen. Dat soort dingen vond ik terug in My Bright Abyss. Hoe erger het lijden, hoe meer je geïsoleerd raakt van andere mensen, schrijft Wiman. Hij probeert te verwoorden hoe God in zijn eenzame gevoel toch steunend aanwezig was.

Jeroen Bakker: 'Doodgaan komt uiteindelijk toch neer op vertrouwen op God. Dat is een stervenskunst die ik ook ben tegengekomen in het Oude Testament.' (beeld Esther Leene)

Jeroen Bakker: ‘Doodgaan komt uiteindelijk toch neer op vertrouwen op God. Dat is een stervenskunst die ik ook ben tegengekomen in het Oude Testament.’ (beeld Esther Leene)

Ik zocht ook naar een taal om mijn eigen ervaringen onder woorden te brengen. Hoewel mijn lijden in veel opzichten minder extreem was dan dat van Wiman, herken ik het wel. Wie dat niet heeft meegemaakt, kan het zich moeilijk voorstellen, heb ik gemerkt.

Wiman schrijft ook dat de eenzaamheid in het lijden uiteindelijk een illusie is. Zelfs in de allerdiepste eenzaamheid, die van de dood, ben je niet alleen. God is daar ook, Christus is daar. Dat vond ik erg mooi. Ik had geen besef om te bidden, maar God had dat niet nodig om er toch te zijn.’

De eenzaamheid in het lijden, is dat alleen maar een illusie? Je gaf ook aan dat je je heel geïsoleerd voelde. Zelfs bij jezelf was je niet thuis…
‘Ja, je ervaart wel eenzaamheid, maar er is een werkelijkheid die reëler is dan je ervaring van dat moment. Dat is echt een inzicht dat ik heb gekregen tijdens het lezen en herkauwen van Wimans boek!’

Wiman is een tijd ongelovig geweest en heeft een heel moderne geloofsstijl. Past dat bij jou, een gereformeerde theologiestudent? Ofwel: is je godsbeeld veranderd?
‘Ik weet niet precies hoe ik eerst naar God keek. Toen ik zo ziek was, had ik ook te weinig vermogen om te reflecteren op Hem. Dat zit dan in een laag waar je niet bij kunt. Dat herken ik bij Wiman.

In Prediker 9 en Psalm 16 is de dood als thema sterk aanwezig. Verder is het in het Oude Testament een zeldzaam onderwerp. En waar het wel over de dood gaat, staat dat vooral in het kader van de God die de God van het leven is. Er wordt geen perspectief uitgesproken op zoiets als leven na de dood. Dat was kennelijk niet nodig. Psalmdichters kunnen blijkbaar zonder perspectief op een hiernamaals uit de voeten met de dood die voor hen staat. Ze blijven hun levend zijn aangrijpen om God aan te roepen.’

Is dat wat je bedoelt als je in je scriptie schrijft dat ‘de Israëliet achterwaarts de dood inging’?
‘Ja, als je de God van het leven kunt aanroepen, ook als je sterft, heb je de kern van het leven te pakken. Dat is dus het tegenovergestelde van “leven met de dood voor ogen”. Het is juist “sterven met het leven voor ogen”.

Een belangrijke kern van stervenskunst is dat je jezelf een manier van leven aanleert die je helemaal tot aan het eind kunt volhouden, zeg maar een life to last. Stervenskunst en levenskunst kunnen dus precies op hetzelfde neerkomen.

In het Oude Testament drijft de dood mensen juist naar de God van het leven toe. Dat was een ontdekking voor me. Wij zijn zo gewend aan de “oplossing” van de hemel en de nieuwe aarde dat we vaak niet beseffen dat je zonder dat perspectief ook op het allerdiepste punt genoeg kunt hebben aan God.’

Je moet je dus niet richten op een leven na de dood om goed te kunnen sterven?
‘Ja, dat vind ik zelf ook ingewikkeld. Maar ik heb gemerkt hoe weinig een “het komt uiteindelijk allemaal goed” ertoe doet. Hoe zieker ik was, hoe minder toekomst ik had. Niet omdat die niet zou komen, maar omdat daar in mijn geest helemaal geen ruimte voor was. Ik wil niet terug naar vóór de opstanding van Christus, maar in het spreken van het Oude Testament zit nog steeds veel waarde over de God van het leven. Dat moeten we niet overslaan door alleen naar het leven na de dood te kijken.

We hebben stukje bij beetje de God van het leven vervangen door een God van de dood die zich met dit leven bemoeit. Maar op het moment dat je het besef kwijtraakt dat God de God van het leven is, raakt het perspectief op het leven na dit leven zijn betekenis kwijt. Doodgaan komt uiteindelijk toch neer op vertrouwen op God. Dat is een stervenskunst die ik ook ben tegengekomen in het Oude Testament, een stervenskunst die me verwondert. Als in het midden van je bestaanshorizon staat dat God de God van het leven is, dan is dat het allerlaatste wat je ziet als je horizon steeds kleiner wordt, tot het laatste zicht je ontnomen wordt.’

En My Bright Abyss, wat heb je daarin gevonden aan stervenskunst voor een gelovige?
‘Het ontvangen van wat God geeft, zelfs terwijl je sterft, daar gaat het bij Wiman om. Hij weigert om het perspectief op een leven na dit leven als troost te kiezen. Zijn eigen ervaring staat hem dat ook niet toe. Hij kan niet door de dood heen kijken. Het is het leven met de dood voor ogen dat zich aan hem opdringt. Daaraan kan hij niet ontsnappen door zichzelf vooruit te projecteren na zijn eigen dood. Net zo min als hij eraan zou kunnen ontsnappen door te ontkennen dat hij doodgaat. Hij ontmoet de God van het leven in zijn eigen leven, juist als dat wankelt op de rand van de afgrond. En op de één of andere manier kan hij die verschrikkelijke afgrond gevuld zien met licht. Vandaar de titel My Bright Abyss: mijn verlichte ravijn.’

My Bright Abyss. Meditation of a Modern Believer
Christian Wiman (1966) is een gerenommeerde Amerikaanse dichter. Hij kreeg een opvoeding als pinkstergelovige, maar nam later afscheid van het christelijke geloof. In dit boek over liefde en dood vertelt hij over het zware ziekteproces waaraan hij meerdere keren leek te gaan overlijden. In dat proces, schrijft hij, is ‘mijn leven opengebroken tot God’. Wiman beschrijft zijn nieuwe ervaringen met God vanuit de metafoor van een ravijn. Dat ravijn is ‘bright’: het licht op.

Over de auteur
Gerry Bos-Kaptein

Gerry Bos-Kaptein is kerkelijk werker in de NGK Hoogeveen en de GKv Dronten-Zuid.

Meest gelezen

Willem Griffioen: ‘Ik verlang dat Jezus recht maakt wat krom is’

Willem Griffioen: ‘Ik verlang dat Jezus recht maakt wat krom is’

Elze Riemer
  • Interview
  • Ontmoeting

De vrijheid en blijdschap van het evangelie uitdragen – daar leeft voorganger Willem Griffioen voor. Dwars door tegenslag en tegenwerking heen blijft dit zijn drijfveer, als kerkelijk opbouwwerker in Zuid-Afrika, als gemeentepredikant en op dit moment als voorganger en pionier in Amsterdam.

Lees artikel
Frans Korpershoek: ‘Ik ben gaan omarmen wie ik ben’

Frans Korpershoek: ‘Ik ben gaan omarmen wie ik ben’

Wilfred Hermans
  • Achtergrond
  • Interview
  • Ontmoeting

Kijk je hem diep in het hart, dan is Frans Korpershoek een ondernemende wereldverbeteraar. In Maassluis en omstreken staat hij bekend als de oprichter van een goedlopende kringloopwinkel, al kent christelijk Nederland hem vooral als zanger van Sela. ‘Ik voel me nog steeds geen geweldige zanger, maar ik weet wel dat ik een boodschap goed kan overbrengen.’

Lees artikel
‘Een homo is meer dan zijn seksuele verlangens’

‘Een homo is meer dan zijn seksuele verlangens’

OnderWeg
  • Achtergrond
  • Interview
  • Thema-artikelen

Wolter Rose weet al sinds de jaren tachtig dat hij homo is. ‘Overtuigd door het evangelie van Christus’ koos hij voor een celibatair levenspad. En lange tijd was dat in de gereformeerde wereld de geëigende route, maar het tij keert. ‘Vroeger had je wat uit te leggen als je als homo een relatie aanging, nu ben ik degene die wat uit te leggen heeft.’

Lees artikel
Gertjan van Harten: ‘Ik ben niet gespaard, nee’

Gertjan van Harten: ‘Ik ben niet gespaard, nee’

Wilfred Hermans
  • Interview
  • Ontmoeting

In de muziek verkiest Gertjan van Harten – predikant van de GKv Spakenburg-Zuid – een rauwe schreeuw vol oprechte pijn boven een zoetsappig verhaaltje dat haaks op het leven staat. Hij kan het weten. ‘Ze zei: “Mama, ik ben zo bang.” Ik dacht: wij ook, meissie.’

Lees artikel

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief