Over mensen die hunkeren naar God
- Opinie
- Thema-artikelen
Waar is God nu ik het zo moeilijk heb? Waarom laat Hij dit toe? Het is soms niet makkelijk om je een kind van God te voelen. In de Bijbel geven sommige psalmdichters daar op niet mis te verstane wijze uiting aan. En toch vinden ze rust in Hem.
Hoe je je relatie met God beleeft, heeft veel te maken met je eigen levensgeschiedenis. Er zijn mensen die hun leven en wat daarin gebeurt op prachtige wijze kunnen verbinden met God. Het valt hun niet moeilijk om de goede hand van God in hun leven aan te wijzen, en te vertellen over wat God heeft gedaan. In tijden van moeiten, of juist op een hoogtepunt van hun leven, hebben ze God op een verrassende en intense manier ervaren. En dat gaf hun hernieuwd zicht op God en op zichzelf. Elders in dit nummer kun je daar verschillende voorbeelden van vinden.
Maar er zijn ook mensen die worstelen met hun leven en de loop daarvan. En nog meer: ze worstelen met de vraag wat God daarin heeft betekend of wil betekenen. Dat maakt de gebrokenheid van hun leven nog méér gebroken. En dat kan hen soms eenzaam maken te midden van een kerkelijke gemeenschap waar mensen enthousiast vertellen over wat God in hun leven gedaan heeft. En misschien ook wel boos of jaloers. Toch staan zij in hun ervaring niet alleen. Sterker nog: ze bevinden zich in goed gezelschap, zoals dat van de psalmdichters.
Sing-in
Neem de dichter van Psalm 42. Hij weet heel goed hoe het is om enthousiast te zingen over God. Hij heeft het zelf jarenlang gedaan. Door Jeruzalem lopen in een grote stoet van juichende zangers en inspirerende musici. En dan stoppen bij het tempelplein voor een fantastische sing-in tot eer van God. Heerlijk om met alles wat in je is te juichen voor God. Het was één van de mooiste dingen die de dichter had meegemaakt in zijn leven. En het was niet maar een leuk moment of een kunstje. Nee, hij deed het echt met hart en ziel. Want hij had zo veel aan God te danken. Wat hield God van hem, en wat hield hij van God!
Maar om de een of andere reden behoorde dat tot het verleden. De dichter zit nu ergens in het hoge noorden, ver van Jeruzalem vandaan. Uitgerangeerd. En hij heeft het gevoel dat God hem finaal vergeten is. Dat kan hij niet geloven, zo goed kent hij God wel. Maar het lijkt er verdraaid veel op. En het ergste is nog dat hij leeft in een omgeving waar ze hem belachelijk maken om zijn geloof in een God die persoonlijk geïnteresseerd zou zijn. ‘Waar is dan je God?’, smalen ze. Als Hij er werkelijk zou zijn, zou je toch wel wat meer van Hem merken? Het maakt de dichter verschrikkelijk verdrietig en onrustig.
Geen strobreed
Nog een stap verder gaat Asaf. Hij is iemand die heel wat gedichten en liederen geschreven heeft. Verschillende daarvan zijn in het psalmboek opgenomen. Eén van de bekendste is Psalm 73. Daarin zegt hij met zoveel woorden dat hij een periode in zijn leven kende dat hij het bijna had gehad met God. Dat kwam omdat hij om zich heen zag hoe goed het ging met mensen die zich in hun leven helemaal niets van God aantrekken. Ze leiden een prima leven, ze worden niet gekweld door allerlei moeiten of getob. Ze genieten volop en leven als God in Frankrijk. Met de dag worden ze rijker, vaak ten koste van anderen. Er wordt hun geen strobreed in de weg gelegd. Ook niet door de Allerhoogste.
En hijzelf, Asaf? Hij heeft altijd zijn best gedaan om zijn geweten zuiver te houden. Altijd geprobeerd om te leven zoals God het graag wil hebben. De vreze des HEREN is het beginsel der wijsheid, had hij geleerd. En: ‘Ontzag voor de HEER geeft een krachtig vertrouwen, het biedt je kinderen een schuilplaats.’ (Spreuken 14:26) Maar het had hem – eerlijk is eerlijk – niets opgeleverd. Alleen maar moeite en verdriet. Het is dat hij Gods kinderen niet in de steek wilde laten, maar anders… Gods kinderen, daar had hij diepe vriendschapsbanden mee. Hij had met hen van alles beleefd. Echt het leven gedeeld, samen gelachen, samen gehuild, elkaar gesteund. Nee, die kinderen van God wou hij niet laten vallen. Daarom bleef hij in die gemeenschap van God.
Als volwassen geworden kind je toevertrouwen aan je hemelse Vader, die als een moeder voor je zorgt. Dat vraagt om overgave. (beeld BarnImages/Pixabay)
Kreunende woorden
Het volgende gedicht (Psalm 74) liegt er ook niet om. Het zal in de tijd van de verwoesting van de tempel zijn geweest. Asaf weet niet wat hij meemaakt als hij ziet wat er met de tempel gebeurt. Het gaat hem door merg en been. Wat een vreselijke dingen om mee te maken! En het lijkt erop dat God machteloos staat. Hij laat het allemaal maar gebeuren.
‘Sta op, God, verdedig uw zaak!’, roept Asaf uit. Het is toch niet ons zaakje? U bent toch zelf uw werk begonnen in Jeruzalem, U hebt toch een naam hoog te houden? Dan roept Asaf in Psalm 77 uit: ‘Denk ik aan God, dan kreun ik’ (NBG 1951).
Dat is niet direct een uitroep die je vaak in preken of getuigenissen hoort. We schrikken ervoor terug om zoiets te zeggen. Liever zeggen en zingen we: ‘Jezus geeft een loflied in ons hart’ (Opwekking 351). Maar de Geest vond die kreunende woorden van Asaf kennelijk zo waardevol dat ze in de Bijbel opgenomen moesten worden. En de Bijbel, dat is het Woord van God, het zwaard van de Geest.
Vertwijfeling
Paulus zegt ergens dat de Geest ons in onze zwakheid of verlegenheid helpt. We weten soms niet wat we in ons gebed tegen God moeten of kunnen zeggen (Romeinen 8:26). Maar dan komt de Geest ons te hulp, soms óók door ons woorden in de mond te leggen die we uit onszelf misschien niet zo gauw durven gebruiken. Zoals die aangrijpende woorden van Asaf: denk ik aan God, dan kreun ik. En: vergeet God genadig te zijn, verbergt zijn ontferming zich achter zijn toorn? Met dergelijke vragen kan een mens worstelen als hij de ene ellende na de andere te verstouwen krijgt. Je schrikt ervan wat mensen soms mee kunnen maken.
Een vrouw is zelf net weduwe geworden, haar dochter krijgt een miskraam, haar zoon een hartinfarct en haar beste vriendin blijkt ongeneeslijk ziek te zijn… Het zijn stuk voor stuk gelovige mensen die juist zo van betekenis zijn in Gods koninkrijk. Het lijkt wel of God hen over het hoofd ziet, in plaats van dat zijn oog rust op wie Hem vrezen en hopen op zijn trouw (Psalm 33:18). In zulke situaties kunnen lieve kinderen van God zich de vertwijfeling van Asaf goed voorstellen.
Ook David is weleens vertwijfeld en radeloos geweest. Dat was toen hij alles wat vertrouwd was los moest laten en in het land van de vijand terechtkwam. Opgesloten in een grot, zonder enig uitzicht. Toen schreef hij Psalm 142 – een leerdicht (!) – waarin hij schreeuwt tot God:
Tot God den Heer hief ik mijn stem,
ik riep tot God, ik smeekte Hem.
Alles, alles wat mij benauwt
heb ik den Here toevertrouwd.
Hij wist niet waar hij het zoeken moest. Ja, bij God. Dat was zijn enige houvast. Niet om wat Hij op dat moment gaf aan mooie ervaringen en zegeningen, maar puur om wie Hij was en is. De herder op wie je aan kunt, zelfs als je alleen nog maar zijn stem hoort en Hem niet meer ziet (vergelijk Psalm 23). Hij ziet jou wel!
Wanneer mijn geest in mij versmacht
kent Gij mijn pad, staat Gij op wacht.
Al mijn beweging gaat Gij na,
waar ik ook ga, waar ik ook sta!Red mij van wie te sterk mij is,
voer mij uit zijn gevangenis,
dat ik U, Heer, dat ik U dan,
mijn Heer en God, weer loven kan.
Het laatste vers zou zomaar óók gebeden kunnen worden door mensen die psychisch opgesloten zitten in zichzelf en het gevoel hebben beheerst te worden door duistere machten, sterker dan zijzelf.
Moeder
Al worstelend met God komt David uiteindelijk tot rust. Het is iets wat hij heel kort en krachtig beschrijft in Psalm 131 (NBG1951):
Immers heb ik mijn ziel tot rust en stilte gebracht
als een gespeend kind bij zijn moeder;
als een gespeend kind is mijn ziel in mij.
David heeft het niet over een baby die net bij zijn moeder gedronken heeft en verzadigd in slaap gevallen is. Nee, het gaat over een gespeend kind: een kind dat níet meer aan de moederborst drinkt.
In Bijbelse tijden konden kinderen wel tot hun derde of vierde jaar aan de borst drinken. Maar op een bepaald moment is die periode voorbij. Het kind is gespeend en het moet nu aan vast voedsel gaan wennen. Het is echt een overgangsmoment dat ook gevierd werd (zie Genesis 21:8). De baby wordt een peuter die zijn eerste stapjes zet op de weg naar volwassenheid. Moeder verdwijnt niet uit het leven van haar kind, maar haar rol wordt anders. Ze is niet meer de bron die onmiddellijk het verlangen van haar kind bevredigt, maar degene die je vertrouwen kunt, óók als je verlangen niet direct gestild wordt. Je kunt gerust op haar wachten en haar vertrouwen. Ze zorgt voor je, ook al denk je van niet.
Dat hebben Asaf, David en vele anderen al worstelend geleerd. Oók en het meest de grote Zoon van David: Jezus Christus! De psalmen zijn Hem op het lijf geschreven en Hij heeft ze tot op het bot vervuld (zie bijvoorbeeld Psalm 22 en Hebreeen 5:7-10)! Wachten op God en Hem tóch vertrouwen.
Ook als je Hem niet ervaart in zegeningen of prachtige religieuze ervaringen waarover je kunt zingen. Dat is moeilijk. Als volwassen geworden kind je toevertrouwen aan je hemelse Vader, die als een moeder voor je zorgt. Dat vraagt om overgave, óók als jij Hem niet kunt volgen in de manier waarop Hij jouw leven leidt. Je ziel tot rust brengen bij Hem, is dat niet voor iedereen de opgave in zijn leven?
Israël hope op (beter nog: hunker naar) de HERE
van nu aan en voor immer.
Roel Venderbos is deeltijd predikant van de NGK Kampen en deeltijd geestelijk verzorger in een verpleeghuis.



