‘Ik vind het nieuwe normaal verschrikkelijk abnormaal!’
- Interview
- Thema-artikelen
Pieter Barnhoorn, huisarts, docent en onderzoeker aan het UMC in Leiden, is er duidelijk over: een mens heeft aanraking nodig. Van videobellen wordt hij moe en ‘vooral verdrietig: het bepaalt je bij wat je mist’. Barnhoorn is bang voor een langdurige ‘samenleving-op-afstand’, omdat die ‘weleens meer slachtoffers kan maken dan het coronavirus’.
Ik kwam binnen. We kennen elkaar niet. We hielden anderhalve meter afstand. We gaven elkaar geen hand. Hoe voelt dat?
‘Ik vind dat heel vervelend. Ik voel me – het is flauw om het zo te zeggen – onthand. Ik weet dat handen geven een gewoonte is, een ritueel. Maar rituelen zijn belangrijk, ze staan ergens voor. Met een hand geven, zeg ik eigenlijk tegen jou: “Ik heet jou welkom. Je komt hiernaartoe, je wilt naar me luisteren, dat vind ik fijn, dus wees welkom.” Als zoiets wegvalt, vind ik dat heel moeilijk.’
En zo werkt dit ook in de spreekkamer?
‘Ja. Ik vind het plezierig als mensen naar de praktijk komen. De reden is wellicht minder fijn, ze komen niet zomaar. Maar ze hebben de stap gezet naar mijn spreekkamer en alleen al daarom is het belangrijk dat zij zich vanaf het begin welkom voelen.’
De filosoof René ten Bos, tot vorig jaar denker des vaderlands, zei kortgeleden: ‘De mens heeft een toekomst nodig, maar ook troost. We kunnen alleen maar goed functioneren als we worden aangeraakt.’ Herken je dat?
‘Zeker. Aanraken doet iets met een mens dat andere vormen van contact niet zomaar kunnen. Kalmeren bijvoorbeeld. Aanraken is ook een krachtige manier om uitdrukking te geven aan het feit dat je bij elkaar hoort. Wij hebben aanraking inderdaad nodig; het is een basisbehoefte zoals voeding. Iedere student psychologie leert nog steeds over dat experiment uit de jaren vijftig van psycholoog Harlow. Babyaapjes zaten in een kooi met twee metalen kunstapen, de ene met stof omwikkeld, zacht, maar zonder melk en de andere van draadstaal, maar met melk. De aapjes gingen drinken waar drinken te halen was; zodra ze de melk op hadden, gingen alle aapjes naar de ‘zachte’ moeder. Ook mensen hebben meer nodig dan alleen melk.’
‘Geneeskunde is soms genezen,
vaak verlichten en altijd troosten’
Ten Bos gebruikte de term huidhonger. Wat is dat?
‘Dat is het verlangen van de huid om aangeraakt te worden; daar is de huid voor gemaakt. Dat aanraken hoeft niet altijd door een ander mens te gebeuren, het kan ook door een knuffeldier of een echt dier. Maar dat blijft second best. De mens in die huid heeft aanraken echt nodig: mensen die minder aangeraakt worden, voelen zich sneller buitengesloten en zijn gevoeliger voor ziek worden.’
Je schreef over aanraken een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Daarin geef je ook aandacht aan het begrip contact. Waarom?
‘Omdat geneeskunde heel vaak gezien wordt als het toewerken naar een diagnose. Dat klopt niet, dat is een veel te smalle kijk op geneeskunde. Geneeskunde is soms genezen, vaak verlichten en altijd troosten. Vooral voor dat verlichten en zeker het troosten is een relatie nodig. Die bouw je al op als je iemand uit de wachtkamer haalt. Dan begint het contact al: ik noem de naam van de patiënt – dat is belangrijk. De patiënt staat op. Ik zie dat de persoon glimlacht of juist boos is. Daar kijk ik naar, ik let erop en ik vraag door op de emotie die ik zag.’
Stel dat jij tijdens een consult de patiënt een nare boodschap vertelt. Dan past een hand op de schouder of jouw hand op de hand van de patiënt. Mag dat?
‘Normaal is dat helaas al een punt van discussie. De richtlijn is om dit zo min mogelijk te doen, vanuit veiligheid. Nu in coronatijd mag het zeker niet. Tegelijk denk ik dan vanuit het oogpunt van relatie: als het nodig zou zijn, doe ik het. Van richtlijnen blinde regels maken, maakt onnodig slachtoffers.’
Omdat?
‘Omdat artsen te vaak denken in termen van interventie: we zijn er om mensen beter te maken. Dat voelt ook veilig. Ik denk dat het er in ons werk om gaat er te zijn, dus niet zo zozeer om interventie, maar veeleer om presentie. Zelf denk ik daarbij ook aan de naam waarmee God zich laat kennen: Ik zal er zijn. Je kunt ook zeggen: ga maar, Ik ga met je mee. Nou, dat is ook wat ik wil doen als dokter. Misschien lijkt het dan alsof ik veel geef. Dat is niet zo: ik krijg ook veel. Door aanraking en contact krijg je veel terug.’
Ik las een verhaal met een wetenschapper die zegt moe te worden van het videobellen. Hij denkt dat dit komt doordat ‘de digitale schermen die onze reikwijdte vergroot hebben ons nu mensen laten zien die we kwijt zijn.’ Herken je dit?
‘Zeker. Ik ben voorzitter van een landelijk overleg van medische docenten die elkaar regelmatig ontmoeten. Het zijn leuke vergaderingen. De mooiste momenten echter zijn die waarop jou zomaar iets te binnen schiet en dat deel je met anderen. Zoiets gebeurt niet bij videobellen. Daar word je moe en vooral verdrietig van. Het bepaalt je inderdaad bij wat je mist. Elkaar echt zien versus videobellen is vergelijkbaar met het verschil tussen brief en mail. In een brief bouw je iets op, je kunt trage vragen stellen, iets creatiefs kwijt waarop niet direct een antwoord hoeft te komen en waarover nagedacht kan worden. Al die dingen doe je niet in een mail. Een mail debiliseert; je stelt vragen waar snel een antwoord op kan komen. Vaak zijn het eenvoudiger vragen, datzelfde niveauverschil zie je ook bij videobellen.’
En dus, snel weg met videobellen?
‘Voor een deel: ja! Want het ergste vanuit het overleg dat ik noemde, is dit: iemand vond dat deze vorm van overleg zo gemakkelijk ging. Hij verbond daaraan de conclusie: “Zullen we dit niet altijd doen?” Het voelde alsof ik een blauwtje had gelopen. Ik dacht: ik had toch iets met jou! Wat waren we vaak creatief bezig, juist tijdens het meer informele contact. En nu stel je dit voor! Zoiets roept bij mij echt de vraag op: in wat voor wereld leven we? Een gek voorbeeld waaraan ik dacht: er is een Suske en Wiske-uitgave met de titel De Krimson-crisis. In dat verhaal is heel België gerobotiseerd in de tijd dat Lambik het land uit is. Als hij terugkomt, is alles anders. Zo voel ik me soms.’
‘Mensen worden eerder ziek als we volharden
in een bijna contactloze samenleving’
Sommigen zeggen dat een samenleving-op-afstand niet vol te houden is.
‘Ik kan me daar veel bij voorstellen. Mijn vrees is dat we met zo’n samenleving meer slachtoffers maken dan het coronavirus ooit zou kunnen doen. Ik weet: corona is ernstig. Maar ik weet ook dat corona vooral kwalijk is voor mensen die al kampen met een onderliggende kwaal en voor ouderen. Als we doorgaan met een samenleving die zich kenmerkt door afstand houden, als we volharden in een bijna contactloze samenleving, dan worden mensen eerder ziek. Dan ontstaan meer psychische klachten of verergeren die. Dan vereenzamen onze ouderen. Mijn moeder zei het kortgeleden nog. Ik wilde, heel verantwoordelijk, buiten blijven staan, met mijn taart; de koffie zou ik door het raam van haar aangereikt krijgen. Zij zei dat dit voor haar niet was wat ze wilde, dat opgelegde isolement. Ik moest gewoon binnen koffie komen drinken.’
Dus?
‘Hier moeten we als samenleving in elk geval op korte termijn het gesprek over aangaan. Dat is ook nodig, omdat we door het veelvuldige gebruik van schermen – van mobieltjes – toch al zoveel aan contactmogelijkheden in de ban hebben gedaan. Als je op straat loopt, zie je veel mensen die niet anders doen dan bellen of appen. Door de coronamaatregelen maken we dit nog sterker: we blijven gewoon weg of ontlopen elkaar, omdat de ander een potentieel gevaar is geworden. Zoiets wordt dan het nieuwe normaal genoemd. Ik vind het verschrikkelijk abnormaal! En we moeten dat ook echt abnormaal blijven vinden.’
Maar zijn er alternatieven?
‘Als het om contact en relatie gaat, dan zijn die er echt wel. Voor een deel zijn die ook al wel geactiveerd, maar het kan nog veel beter. Ik denk aan bellen in plaats van een mailtje of appje sturen en aan het schrijven van een brief of kaartje. Gebruik voor echt contact – en geef daar prioriteit aan boven het sturen van een appje! – de anderhalve meter in tuin of park. En ga niet denken vanuit: ‘regels zijn regels’. Ook als er regels zijn, moet je blijven nadenken. Bijvoorbeeld over hoe we omgaan met kwetsbare groepen onder studenten (diegenen met een bescheiden studentenhok en een klein sociaal netwerk), onder patiënten, onder mensen in je kerkelijke gemeente. Blijf voor hen zorgen zodat iedereen het gevoel heeft erbij te horen.’
Leendert de Jong werkt in de media en is oud-hoofdredacteur van
OnderWeg.





