Bij een katje kun je niet schuilen
- Opinie
- Thema-artikelen
God als vader kennen we. God als herder of als koning ook. God als moeder, ja ook die. Maar God als waterbekken, als worstelaar, als licht? Wat gebeurt er als we nadenken over de God die ruikt? Wat gebeurt er wanneer we minder bekende beelden van God tot ons laten doordringen? Dit artikel is een pleidooi om dat vooral te doen, omdat het ons gebed stimuleert, ons beeld van God verdiept en ons leven met Hem verandert.
In het kort
- Godsbeelden kunnen versleten, verveelde en veilige beelden worden, die God veranderen van een ongetemde leeuw in een onschuldig katje.
- De dichterlijke taal van de Bijbel nodigt uit taal te zoeken die voldoende gepassioneerd, gevaarlijk en verbeeldingsvol is om te verwijzen naar de passie, het gevaar en de vrijheid van de levende God.
- Ervaring opdoen met minder bekende beelden van God stimuleert ons gebed, verdiept ons beeld van God en verandert ons leven met Hem.
Ergens in juni 2017 las ik Psalm 39. Zeker, ik had deze psalm al veel vaker gelezen, maar dit keer struikelde ik over een zin die me van mijn sokken blies. Psalm 39:12b: ‘U vreet aan zijn vreugde als een mot’ (Willibrordvertaling). Las ik het goed? Staat daar nu echt dat God aan de vreugde van een mens kan vreten zoals een mot gaten in een feestjurk knaagt? God als mot? Kan dat?
Ik had er wel meteen een beeld bij: een tafel voor twee in een restaurant. Aan de ene kant een vrouw. Ze is een jaar of zestig. Gezond, stijlvol gekleed, elegant, mooi gekapt grijs haar. Aan de andere kant van de tafel zit een man, al wat ouder, ook grijs. Gedistingeerd. Er hangt een diepe rust om hem heen. Ze zijn samen in gesprek. Redelijk geanimeerd, soms vallen er stiltes, zoals gebeurt bij goede vrienden. Blijkbaar kennen ze elkaar al lang. En dan gebeurt het. Na een wat langere stilte. Ze pakt uit een tas onder de tafel een hanger met daaraan een jurk. Een feestjurk. Zo te zien een jaar of veertig oud. Maar, dat is niet het meest opvallende. Het is een feestjurk, ooit mooi, nu vol gaten, aangevreten door de motten, bijna vergaan. En de vrouw barst uit:
‘Weet je wat het met jou is?
Jij vreet aan mijn vreugde als een mot.
Al die beloften van jou van vroeger. En dit is ervan geworden.
Laat me zien hoe het afloopt. Toon mijn einde.
Breng nog wat draden van mijn leven bij elkaar,
zodat ik wat vreugde mag beleven voor ik sterf.’
Hoe gaat deze relatie verder? Kan deze relatie nog verder? Maar we praten hier wel over een gebed dat onderdeel is van Gods Woord.
Kleding
Deze psalmregel blies me zo omver, omdat het beeld van God die aan mijn vreugde knaagt enerzijds een onbekend en vervreemdend beeld van mijn God is en tegelijk angstaanjagend herkenbaar. Herkenbaar? Ja, ook. Is dit niet wat sommige mensen overkomt? Teleurgesteld zijn in God en geen mogelijkheid meer zien voor een tweede kans?
Versleten beelden veranderen God
van een ongetemde leeuw
in een onschuldig katje
Nadat ik mezelf wat herpakt had, ging ik praktischer aan de slag. Ik sloeg de NBV op en vond daar een net iets andere vertaling. In de NBV staat dat God aan de begeerte van een mens knaagt, niet aan zijn vreugde. Maar, de mot bleef staan. Het beeld van God als mot kwam ik ook tegen in Jesaja 50, Job 13 en Hosea 5. Kortom, het komt vaker voor en ik zou er dus nog meer over kunnen vertellen. Maar voor dit artikel volstaat het gevoel van zowel vervreemding als herkenning én het verlangen om hierover meer te ontdekken.
Wat dat laatste betreft: voor mij vormde Psalm 39 de aanleiding om kleding, de Bijbel en mijn beeld van God ruimte te geven in mijn gebed, mijn denken en mijn preken. Opeens klonk het anders, toen ik las dat we Christus mogen omslaan als een mantel (Galaten 3:27). Ik ontdekte ook Psalm 30:12, dat wellicht Psalm 39:12 verlost: ‘U hebt mijn klacht veranderd in een dans, mijn rouwkleed weggenomen, mij in vreugde gehuld.’ God is niet alleen een mot. God is ook een kleermaker die vreugde schenkt en vervolgens een bijpassende feestjurk. Maar, dat is lang niet het enige wat ik ontdekte.
Versleten
Volgens Walter Brueggemann, een vooraanstaand oudtestamenticus, is het belangrijk dat we af en toe verontrust worden. In zijn boek Hopeful Imagination zegt hij bijvoorbeeld: ‘Preken verliezen aan kracht wanneer ze taal gebruiken die God temt en zo onze relatie met God voorspelbaar en beperkt maakt.’ En ook: ‘De dichterlijke taal van de Bijbel is een uitnodiging om zelf ook taal te zoeken die voldoende gepassioneerd, gevaarlijk en verbeeldingsvol is om te verwijzen naar de passie, het gevaar en de vrijheid van de levende God.’ Dit artikel is bedoeld om zijn woorden te onderstrepen en te illustreren wat er gebeurt als je met nieuwe beelden gaat werken.
Vertrouwde Godsbeelden kunnen versleten raken, veilige beelden die God veranderen van een ongetemde leeuw in een onschuldig katje. Je kunt er niet bij schuilen als het oorlog is, dan heb je alleen maar een lief poesje op schoot. Maar zo is God niet.
Niet dat je op de stormbaan naast de drilsergeant staat en bedenkt: o, het is mijn vader maar. Gelukkig, ik dacht al dat het echt was. (beeld hipproductions/iStock)
Psalm 144:1 zegt: ‘U oefent mijn arm voor de strijd, u schoolt mijn vingers voor het gevecht.’ Hoe noemen wij iemand die soldaten oefent voor de strijd? Bij mij kwam meteen het beeld van de drilsergeant op. Dat is voor mij overigens net als de mot een vervreemdend én herkenbaar godsbeeld. Daarover zo meer. Ook het verlangen om dit beeld uit te diepen ligt voor de hand. Want om welke strijd gaat het en om welke wapens en waar lees je hier nog meer over in de Bijbel (hint: op heel veel plaatsen)?
Maar dit godsbeeld deed nog iets met me. Het liet me zien dat mijn gebed enorm beïnvloed wordt door het beeld dat ik van God heb. Wanneer ik bid tot God als mijn schuilplaats, als de arend onder wiens vleugels ik schuil, dan bid ik anders dan wanneer ik tot God bid als mijn drilsergeant. Bij die arend verander ik in een hulpeloos kuiken, maar de drilsergeant ziet mij als soldaat, voorziet mij van wapens voor de strijd, oefent mij, stuurt me de loopgraaf uit en staat naast en desnoods voor me als het erop aankomt. Soms is er een tijd om te schuilen bij God, maar soms is er ook een tijd om te strijden. Voor die tijd is Psalm 144. Sterker nog, Psalm 144 maakt mij ervan bewust dat die tijden er zijn, juist dat ze er zijn. De drilsergeant vervreemdt en roept herkenning op, maar verrijkt dus ook mijn gebed.
Drama
Wat hier gebeurde, laat nog iets zien. Toen ik over de drilsergeant vertelde, begon ik een verhaal te vertellen, een verhaal te bidden. Dat is iets wat in veel psalmen gebeurt. Psalm 40 is hiervan mijn favoriete voorbeeld:
‘Vol verlangen heb ik op de HEER gewacht
en Hij boog zich naar mij toe,
Hij heeft mijn roep om hulp gehoord.
Hij trok mij uit de kuil van het graf,
uit de modder, uit het slijk.
Hij zette mij neer op een rots,
een vaste grond voor mijn voeten.’
De vervreemding: God lijkt hier op een Marvel-superheld die iemand te hulp schiet die in een steegje belaagd wordt door een bende. Het slachtoffer roept om hulp, hoopt dat de superheld zijn roepstem hoort, daar ook daadwerkelijk gehoor aan geeft en op tijd komt om hem te redden.
De herkenning: zo is het toch? Soms bidden we tot God en moeten we wachten. ‘Dogmatisch’ weten we dat God alles hoort, maar in onze ervaring is het anders, ligt Psalm 40 veel dichter bij onze dagelijkse omgang met God dan dat dogma.
De drilsergeant vervreemdt,
maar verrijkt ook mijn gebed
Ik hoop dat de mot, de drilsergeant en de superheld duidelijk maken wat ik bedoel met het verhaal: nieuwe of minder bekende godsbeelden nodigen ons uit om het drama terug te brengen in ons gebed en in ons geloof. Er is een tijd om tijdloze waarheden over God te verkondigen en Hem te prijzen voor zijn eeuwige liefde en trouw. Maar minstens zo vaak is er een conflict of een moeite en vragen we onze schepper en verlosser om daarin een rol te spelen. Hebben we dan voldoende woorden en beelden om te vertellen wat God doet of nalaat en wie Hij is in dat conflict?
Trechter
In Lewis’ boeken over Narnia is God een leeuw en wordt opgemerkt: ‘Hij is geen tamme leeuw.’ Maar hoe is Hij dan wel? Die vraag komt op bij minder vertrouwde beelden van God. Je kunt je afvragen: waar is de drilsergeant mee bezig? Is hij bezig om mij te oefenen voor de strijd of is hij bezig om te laten zien dat hij macht over mij heeft, is hij bezig om mij kapot te maken? Oftewel: als God net als zo’n drilsergeant is, kan ik God dan wel vertrouwen?
Al die beelden, ook de verontrustende beelden, moeten uiteindelijk door een trechter. Ze worden uiteindelijk geheiligd en gereinigd door Jezus. Wil je weten wie God is? God is Jezus’ hemelse Vader. Wil je weten hoe zijn hemelse Vader is? Hij is goed. Hij is zoals Jezus. Degene die mij oefent, degene die mij tot mijn grens laat gaan, degene die mij de bunker uit stuurt, is als Jezus, is onze hemelse Vader.
Om in de beeldspraak te blijven: ik bedoel niet dat je op de stormbaan naast de drilsergeant staat en bedenkt: o, het is mijn vader maar. Gelukkig, ik dacht al dat het echt was. Kom, laten we die gekke kleren uit doen en naar huis gaan, pannenkoeken eten. Nee, je staat op de stormbaan en je ontdekt: dus dit is mijn Vader. Dit is Hij echt. En adrenaline, respect en ontzag gieren door je lijf. Hij is soeverein en tegelijkertijd zie je: Hij heeft vertrouwen in mij in de training, in wat Hij geeft en Hij gaat met me mee.
Voedsel
Soms denk ik dat de oude Israëlieten heel hun leefomgeving hebben afgegraasd op zoek naar beelden van God. Al het voedsel dat ze verbouwden (wijn, graan, vijgen), alle weersomstandigheden die ze kenden (storm, droogte, regen en zon), alle dieren (leeuwen, schapen, jakhalzen en beren), alle beroepen, huiselijke omstandigheden en relaties, alles kon iets vertellen over de levende God. Niet zo gek, want heel de aarde is vol van Gods heerlijkheid.
God lijkt hier op een Marvel-superheld
Laten we dus het pleidooi van Brueggemann ter harte nemen, omdat we allemaal het risico lopen dat ons godsbeeld versmald wordt tot een god die op ons lijkt, of een god die aan onze verwachtingen en verlangens voldoet, of moet voldoen. In Bijbelse termen: we hebben de neiging om een god te scheppen naar ons beeld. Dat is de waarschuwing die Brueggemann geeft in het eerste citaat. In onze tijd verlangen veel mensen naar aanvaarding, bevestiging en rust en dus zoeken we beelden van God die daarbij passen. Het is echter niet behulpzaam om mensen de toegang tot deze beelden te weigeren of deze beelden te ridiculiseren. Nee, God ís een schuilplaats. Hij is een anker in de storm. Hij is de Heer die golven en wind bedaart. Hij is de Vader die zich ontfermt over zijn kinderen. En tegelijkertijd is God ook …
Lauren Winner wijst er in haar boek Wearing God op dat de Bijbel vaak gemengde metaforen gebruikt. God is in Deuteronomium 32 zowel de vader van Israël als degene die Israël gebaard heeft. God is zelfs de rots die Israël ter wereld bracht. Deze gemengde beelden sporen ons aan om eenzijdigheid en simplisme te voorkomen als we spreken over de levende God. Nog positiever geformuleerd: er is zo veel te ontdekken over onze God, zo veel wat onze verbeelding prikkelt, ons gebedsleven stimuleert, onze blijdschap aanwakkert, ons verdriet troost of verdiept, ons beeld van de levende God verrijkt, corrigeert of aanvult. Dat is wat ik in het tweede citaat van Brueggemann hoor. De vreugde van de ontdekking: kijk, ruik, proef, hoor eens hoe mijn God is! Hij is zo onuitputtelijk om over te spreken. Hij is waard alle lofprijzing en eer.
Pieter Kleingeld is predikant van de NGK Oegstgeest.



