‘Als ik een doel heb, ga ik er helemaal voor’
- Interview
- Ontmoeting
De oud-voorman van de Land- en Tuinbouw Organisatie is een bruggenbouwer, al kan hij ‘Amos-achtig kwaad’ worden als het nodig is. Van dat bruggen bouwen zou hij graag meer zien binnen de kleine reformatorische kerken, een diepe wens die hij van huis uit meekreeg. ‘De kerkscheuring hakte er bij mijn ouders diep in.’
Als we voor het gesprek een kamertje van de Wageningen Universiteit betreden, trekt een foto aan de muur van een stuk akkergrond gelijk de aandacht van Albert Jan Maat (Heino, 1953). De foto is niet in deze regio genomen, zegt de boerenzoon vorsend. ‘Dit is lichtere grond, geen zware klei. Zou West-Brabant kunnen zijn.’
Het platteland blijft altijd trekken. Na twee dagen Londen móet hij de natuur in en zodra hij weer frisse lucht inademt, steekt de neiging de kop op om een opmerking te maken over de gewassen om hem heen. ‘Mijn liefde voor het platteland zie je ook terug in de kunst die ik verzamel: met name koeien en paarden. Het mooiste werk? Een schilderij van Pieter Pander met een paard en een pasgeboren lam dat op een glasplaat staat, heel kwetsbaar. Daar kan ik geweldig van genieten.’
Polderen
Een week nadat Kees Broekman als eerste Nederlander Europees kampioen schaatsen werd, werd Albert Jan Maat geboren. Door de watersnoodramp raakte dat kampioenschap al snel in de vergetelheid, maar met een beetje goede wil zou je kunnen concluderen dat beide elementen – water en schaatsen – terugkeren in het leven van Albert Jan. Want naast zijn werk voor de visserij zeilt hij geregeld wedstrijden met zijn houten punter én heeft hij een voorliefde voor schaatsen en andere seizoensgebonden sporten.
Bij zijn afscheid als LTO-voorzitter, vorig jaar, werd Maat door staatssecretaris Van Dam ‘één van de laatste nog levende vertegenwoordigers van het Nederlandse poldermodel’ genoemd. En, grapte de staatssecretaris: ‘Hij appt en sms’t meer dan een verliefde van 17.’ Maat: ‘Ik ben trots op polderen, het is een heel goede Nederlandse eigenschap, die we nog meer zouden moeten exploiteren. We hebben het geleerd omdat we alleen door samenwerking onze voeten konden drooghouden.’
‘‘Gij koeien van Bazan!’, had ik kunnen roepen’
Ondanks zijn leeftijd is de oud-politicus (Maat was van 1999 tot begin 2007 voor het CDA lid van het Europees Parlement) onverminderd druk. Als voorzitter van NetVISwerk, een nieuwe landelijke belangenorganisatie voor binnenvisserij en kleine kustvisserij, is hij nog veel onderweg, maar niet meer zo frequent als in zijn jongere jaren.
Bent u goed in afscheid nemen?
‘Ik heb negen jaar bij LTO gewerkt. Dat is lang, voor mijn doen. Ik vind het gezond als er regelmatig vernieuwing plaatsvindt. Drie weken na mijn afscheid brak de ellende rondom het fosfaatbeleid uit. Toen was ik geneigd me vanuit mijn vakantieadres in de Elzas te bemoeien met de oplossing, maar mijn vrouw trapte terecht op de rem. Afscheid is afscheid. Mijn vrouw en ik zijn overigens tegenpolen, dat werkt heel goed. Het huwelijk met haar is een Godsgeschenk.’
‘Toen ik stopte bij LTO, was mijn doel om meer met mijn handen te gaan doen. Dat is gelukt: ik heb veel gespit, bomen geplant en verbouwd. We wonen in Paterswolde met een tuin van elfhonderd meter, en ik heb een stuk bos in Overijssel. Ik ben een workaholic, ja. Ik kan slecht stilzitten. Als ik een doel heb, ga ik er helemaal voor. Tussendoor lees ik nog wel wat boeken: veel non-fictie, biografieën, van Adenauer bijvoorbeeld. Momenteel lees ik De buurjongen van Jan Siebelink. De sfeer is soms beklemmend, maar hij is een goede schrijver.’
Boeren hebben het imago dat het klagers zijn. Klagen ze terecht?
‘Ze hebben een punt. Het gezegde is niet voor niets: als de boeren niet meer klagen en de pastoors niet meer vragen, dan nadert het einde der dagen. Als LTO-voorzitter was het mijn missie om de boeren zich zo te laten organiseren dat ze sterk overeind blijven en tegelijk loon naar werken krijgen. We moeten boeren blijven steunen, ze zijn van levensbelang. Wereldwijd neemt de vraag naar voedsel in één generatie met 40, 50 procent toe. En vergeet niet dat een vijfde van de wereldbevolking ’s morgens nog niet weet of ze ’s avonds te eten heeft. Voedsel is onze belangrijkste levensbehoefte. Een maand tussen je vuilnis zitten is erg, maar een dag zonder eten is erger. Met Agriterra – waar ik voorzitter van was – werkten we samen met landbouworganisaties uit ontwikkelingslanden. We wilden boeren daar ondersteunen en een betere maatschappelijke positie geven.’
Albert Jan Maat: ‘Het moet gaan over de kern van het evangelie: doe wel en zie niet om; houd op met die interne discussies. Dat wordt voor mij steeds belangrijker.’
Waar kunt u zelf – professioneel – boos over worden?
‘Op een bepaald moment nam de druk op de veehouderij enorm toe; minder dieren in een hok, geen antibiotica en dus meer risico voor de boeren, maar tegelijkertijd ging de prijs niet omhoog. Daar werd ik Amos-achtig kwaad over. “Gij koeien van Bazan!”, had ik kunnen roepen. Sommigen vonden dat mooi, anderen zeiden: “Doe dat nou niet, je bent toch een bruggenbouwer?”, maar soms moet je heel duidelijk zijn. Mijn christelijke identiteit zal meegespeeld hebben, je bent op aarde om goed te doen, al zie ik die houding bij veel niet-christenen net zo goed. Ik vind God te groot om zijn genade te beperken tot christenen.’
Heeft u terugkijkend op uw werkende leven ergens spijt van?
‘Ik had – en wij als sector hadden – het thema duurzaamheid eerder kunnen oppikken. We hebben ons te lang vastgepind op technische mogelijkheden en economisch rendement, en beseften onvoldoende dat een rijk bodemleven voor boeren en tuinders essentieel is. Gelukkig hebben we de laatste tien jaar een inhaalslag gemaakt.’
Jammer
Maat groeide op in een boerengezin met een broer en twee zussen. Zijn vader was actief in coöperatiebesturen en de politiek. Ze discussieerden vaak. Moeder, een rustig type, is opgegroeid op Kampereiland en bracht de liefde voor het water op Albert Jan over. ‘We groeiden vrijgemaakt op, werden later Nederlands-gereformeerd. De kerkscheuring hakte er bij mijn vader enorm in. Het was de enige keer dat ik hem zag huilen. Je deed God tekort, zo zei hij, door te zeggen: alleen onze kerk is de ware.
Van stipt de zogenaamd zaligmakende kerkelijke regeltjes volgen, gruwde hij. Dat heeft ‘ie op mij overgebracht. Je zou zeggen dat oprechte christenen geen behoefte hebben om muurtjes op te trekken. Ik ben er niet trots op dat we in een traditie staan waarin we dertig jaar langer dan anderen hebben gewacht met vrouwen in het ambt; of dat een commissie drie jaar studeert op de vraag of we homorelaties in de kerk mogen inzegenen. Kerken zouden hierin voorop moeten lopen, het gaat om trouw aan mensen! De kleine reformatorische kerken opereren daarin te conservatief. Ik vind zoiets ontstellend jammer. Het moet gaan over de kern van het evangelie: doe wel en zie niet om; houd op met die interne discussies. Dat wordt voor mij steeds belangrijker.’
Tanks
Maat is in zijn geloofsleven ook bescheidener geworden. Hij heeft weinig op met evangelische bewegingen die te veel nadruk leggen op de emotie, op grote gebeurtenissen. Alsof het geloof niet zonder zou kunnen. Toch maakte hij zelf iets dergelijks mee, toen hij in militaire dienst een zwaar ongeluk kreeg. Maat was verantwoordelijk voor ondersteunend vuur met mortieren en kanonnen. Tijdens een rampoefening midden in de nacht kantelde zijn pantserwagen in een oude, Duitse loopgraaf.
‘Mijn boordschutter, een hartstikke toffe vent, raakte klem met zijn hoofd en kwam om. Ook ik dacht dat ik er geweest was; toch werd ik heel rustig en ik hield de kantelende pantserwagen tegen met mijn armen, die ik vervolgens een week niet kon gebruiken. Achteraf zei men: niemand kan een pantserwagen met z’n armen tegenhouden, maar ik weet zeker dat het zo ging. Een wonder? Ik weet het niet. Ik heb later de familie van die boordschutter bezocht. Ik heb hem niet kunnen redden, dus hoezo: wonder? Daar moet je geweldig mee uitkijken. Als Jezus een wonder deed, zei Hij daarna altijd: ga naar huis en houd je mond – daar kwam het op neer. Ik zou willen dat christenen – vooral evangelische – op dat vlak wat bescheidener waren.’
‘Als alle kleine gereformeerde kerken een kerk uit Syrië of Irak zouden adopteren, moet jij eens kijken wat voor moois er dan gebeurt’
Maat vond de militaire dienst overigens een mooie tijd: ‘Ik wist alles van Russische tanks en had later als LTO-voorzitter een goede relatie met de Russische ambassadeurs opgebouwd die hun oude tanks ook nog goed kenden. Zaten we daar lachend te vertellen hoe we elkaar in die jaren zagen, en een beetje gegevens uit te wisselen.’
Overgave
‘Ik ben wat losser gaan geloven. Ik ga niet meer per se elke zondag naar de kerk. Vaak mis ik daar ruimte voor reflectie. Nu zeil ik, na dertig jaar, weleens een wedstrijd op zondag. Maar: als ik het moeilijk heb, stelt het me gerust dat er iemand is die alles overziet en ons aanzet tot de goede dingen doen. Psalmen zingen vind ik een mooie traditie; God loven of iets aan Hem voorleggen op de manier zoals ze dat in de tijd van het Oude Testament ook al deden. Mijn favoriet is Psalm 42, een psalm van overgave. Mijn vader hield ook van die psalm.’
‘Ik zit in een stichtingsbestuur dat samenwerkt met Syrische kerken. We hebben veel contact met Aramese gelovigen en kijken bij hen hoe ze het geloof in hun cultuur hebben ingebed. Wat niemand weet, is dat er nog een miljoen gereformeerden in Algerije woont. Zondagsrust kennen ze niet, dat doen ze op vrijdag. Op die manier overleven ze wel. Een prachtig voorbeeld van wat losser omgaan met dogma’s.’ Maat komt op stoom. Tikkend op tafel: ‘Als alle kleine gereformeerde kerken wat minder met zichzelf bezig zouden zijn en stuk voor stuk een kerk uit Syrië of Irak zouden adopteren, moet jij eens kijken wat voor moois er dan gebeurt. Ogen gaan open en de mensen daar hebben er ook nog wat aan.’
Begrijp hem niet verkeerd: hij ziet wel degelijk goede ontwikkelingen binnen zijn kerkgenootschap, de NGK. Maar het zou mooi zijn als ze zich blijven ontwikkelen. ‘Waarom proberen we niet een sterkere relatie op te bouwen met de PKN?’
Twijfelt u weleens aan God?
‘Ja. Is het allemaal waar, of geloven we in een sprookje? Die gedachte heb ik weleens. Overigens: als je nooit twijfelt, moet je jezelf afvragen of je wel echt gelooft. Uiteindelijk blijft het geloof deels een mysterie.’
Is er een vraag die u Hem zou willen stellen?
‘Jawel, duizend vragen. Daar zitten heel persoonlijke tussen. Die stel ik alleen één-op-één aan Hem.’
Wilfred Hermans is freelance journalist.



