‘Er moesten dromen kapotgaan’
- Interview
- Thema-artikelen
Er wordt, zeker de laatste jaren, heel wat gepionierd in christelijk Nederland. De twee pioniers Martijn Horsman en Alrik Vos kunnen bogen op jaren ervaring. Ze treffen elkaar in Brouwerij Kleiburg voor een gesprek over gemeentestichting. Over de werking van de Geest, maar ook over realistisch zijn en dromen laten varen.
‘Je kunt nog zo hard werken, maar het mooiste overkomt je. Ik heb geleerd om vooral te kijken naar wat ik zelf kan doen en om dat te combineren met het openstaan voor het wonder.’
Aan het woord is Martijn Horsman (40). Tot voor kort was hij werkzaam als voorganger van de christelijke gemeenschap Stroom in Amsterdam en begeleidde hij andere gemeentestichters in Amsterdam. Sinds begin dit jaar werkt hij als leidinggevende bij een start-up: Brouwerij Kleiburg, de brouwerij van het Kleiklooster, een modern klooster in de Bijlmer. ‘Ik hield op een gegeven moment drie ballen in de lucht, want ik was ook al begonnen bij de brouwerij en moest een keuze maken om al mijn energie en aandacht op één project te kunnen richten. Het was een logische stap om na acht jaar plaats te maken voor een nieuwe voorganger van Stroom.’
‘Als ik ga wachten op werk van de Geest, raak ik verlamd’
Het gesprek dat hij heeft met Alrik Vos (37), gemeentestichter bij Hart voor Heerhugowaard, vindt plaats in De Proefzaak, een eetcafé naast de brouwerij. Vos begon ruim vijf jaar geleden als gemeentestichter in Heerhugowaard met een club van twaalf mensen in een huiskamer. Inmiddels komen er zo’n 130 bezoekers naar de diensten.
Vos staat dus volop met zijn voeten in de klei van het werk in de kerk. Horsman noemt het gesprek voor hemzelf schertsend een eindevaluatie, want hij zal voorlopig niet meer als gemeentestichter aan het werk zijn. Hij staat vooral met zijn voeten in de brouwerij. Aan het begin van het gesprek onderbreekt de brouwmeester de twee met een dwingende vraag aan het adres van Horsman: ‘Maak jij de brouwerij straks schoon?’
Verhuizing
Op welke manier heb je de afgelopen jaren de aanwezigheid van de Geest in je werk ervaren? Het is een vraag die zowel Vos als Horsman bezighoudt. Vos: ‘Het is niet zo dat ik er continu aan denk, maar het is bemoedigend om de activiteit van de Geest te zien en gelukkig zijn er genoeg momenten waarop dit gebeurt. Er gebeurt meer dan alleen het menselijke. Tegelijkertijd merk ik dat ik hierin ook telkens moet loslaten, want als ik ga wachten op het werk van de Geest, raak ik verlamd. Je moet ook simpelweg je ding doen.’
Hij vertelt een anekdote over een Thaise vrouw met wie hij in contact kwam. Ze bezocht af en toe een dienst van Hart voor Heerhugowaard. Op een dag had hij een afspraak in de buurt van deze vrouw. De vrouw zou de week erop verhuizen. ‘Ik had tijd over en ben spontaan bij haar langsgegaan om even te kijken hoe het met haar was. Toen ik haar vroeg of ze nog hulp nodig had met de verhuizing, begon ze te huilen. Ze vertelde me dat ze de hele dag al hoofdpijn had van de zorgen om de verhuizing, want hoe moest ze dat in haar eentje doen. Een uur daarvoor had ze, zo vertelde ze me, gebeden tot die God van die mensen van de samenkomst.’ Het is een simpel voorbeeld, dat voor Vos het werk van de Geest concreet maakt.
Alrik Vos: ‘Ik houd mezelf altijd voor dat het ten diepste de zaak van God is en niet mijn zaak.’ (beeld Maarten Boersema)
Een ander voorbeeld is een bezoeker die hem vertelde dat hij na een dienst vaak het gevoel heeft dat hij in bad is geweest en weer schoon is. Maar naast deze bemoedigende voorbeelden spreekt Vos ook over onvrede. ‘Het is mooi dat God op deze manier werkt, maar het zijn druppels. Waarom opent God niet meer harten?’
Wonder
Alrik Vos spreekt van een spanningsveld. Hij zou willen dat meer mensen God zouden zoeken en vinden, en dat God mensen verandert. ‘Ik houd mezelf wel altijd voor dat het ten diepste de zaak van God is en niet mijn zaak. Dat geeft rust om ontspannen mijn werk te doen en het aan God over te geven.’
Martijn Horsman herkent de worsteling van Vos. ‘Eén van de dingen waardoor ik het volhoud, is dat ik zeg dat we moeten kijken naar onze eigen invloed en dat we ons over de rest niet al te veel zorgen moeten maken. Laten we ons beperken tot wat wij kunnen doen en daarbij openstaan voor het wonder van de Geest en wat ons overkomt.’
Daarnaast heeft Horsman aan de hand van Paulus in de afgelopen jaren veel geleerd over het werk van de Geest. ‘Bij Paulus gaat het erover dat de letter doodt en de Geest levend maakt. Je laten leiden door de Geest betekent volgens mij dan ook dat je openstaat voor waar de Geest jou persoonlijk, maar ook samen als gemeenschap, naartoe wil leiden. Ik heb hierover veel discussies gehad binnen verschillende kerkelijke lagen en daarbij heb ik telkens benadrukt dat we misschien wel meer op het werk van de Geest moeten vertrouwen. Je moet uiteraard de zaken, zeker ook financiële zaken, goed geregeld hebben, maar de kerkelijke regels kunnen ook verstikkend werken. Ik heb geleerd om met het evangelie van Jezus in de hand dingen te doen die je goed vindt om op jouw plek te doen. Tijdens deze periode heb ik echt leren vertrouwen op de Geest.’
Cocktail
Beide gesprekspartners hebben in de loop van de jaren de gemeenschap waar ze voorganger waren zien groeien. Vos: ‘We zijn vijf jaar geleden begonnen met twaalf mensen in een huiskamer. Nu komen er ruim honderd mensen naar onze diensten. Ongeveer 10 procent van de mensen kwam daarvoor nooit in de kerk, 30 à 40 procent is “herintreder” en de rest komt uit gevestigde kerken.’
‘Het is een ontwikkeling om dankbaar voor te zijn, maar als ik het over zou moeten doen, zou ik het wel anders doen’, vervolgt Vos. ‘In de kerngroep van het begin ontbreken namelijk mensen die ervaring hebben met het leidinggeven aan gemeenschappen of het voeren van pastorale gesprekken. Dit zorgt ervoor dat het initiatief vaak bij mij ligt en ik tegen mijn eigen grenzen aanloop. Blijkbaar vraagt het te veel van ervaren mensen in gevestigde kerken om hun oude vertrouwde kerk op te geven en iets nieuws te beginnen.’
Martijn Horsman: ‘We hebben alles aan de gevestigde kerken te danken en daar ben ik dankbaar voor.’ (beeld Maarten Boersema)
Horsman: ‘Mensen worden soms ook actief binnen een missionair project omdat ze een leuke kerk willen, waar ze lekker kunnen zitten en waar goed wordt gepreekt. Maar vaak moet je eigen droom van de kerk eerst sneuvelen, voordat er iets nieuws ontstaat.’ Hij vertelt dat hij dit heeft zien gebeuren in zijn tijd bij Stroom. ‘In christelijke organisaties ontstaan geregeld conflicten en dat heeft te maken met een cocktail van het eigen evangelische gelijk en de neiging om alles met de mantel van de liefde te bedekken. Het gevolg is dat je heel erg je eigen gelijk gaat zoeken, maar dat daarover niet wordt gesproken.’
‘Ik heb dit ook ervaren in mijn beginperiode bij Stroom’, zegt Horsman. ‘Mensen durfden hun meningen niet te uiten, maar gingen ze wel uitvoeren. Het kon bijvoorbeeld gebeuren dat de dienst op de ene zondag een traditioneel karakter had en op de andere zondag meer charismatisch gekleurd was. Dat had dan te maken met de regisseur van de dienst. Iedereen was bezig zijn of haar droom te verwezenlijken.’
‘Op een gegeven moment zijn we een transformatieproces ingegaan, want op deze manier kon het niet langer. Bij dat proces was een begeleider betrokken, die vertelde dat er geen sprake was van een transformatieproces als mensen niet emotioneel of boos werden. Het was goed dat ik dit wist, want in het proces, waarin veel bepraat en bediscussieerd is, liepen de emoties hoog op. Dromen spatten uiteen, maar uiteindelijk is er een verandering op gang gekomen en hebben we een nieuwe visie geformuleerd.’
Horsman geeft aan dat de visie op zich niet het belangrijkste is geweest, maar wel het proces ernaartoe. ‘Er moesten dromen kapot gaan, om weer een gemeenschap te worden.’
Opsmuk
Wat kunnen gevestigde kerken leren van missionaire projecten? De antwoorden van Vos en Horsman klinken bescheiden, want ze willen niet aanmatigend zijn.
Allereerst geven ze aan dat ze dankbaar zijn voor wat de kerk hun heeft gegeven. Horsman: ‘We hebben alles aan de gevestigde kerken te danken en daar ben ik dankbaar voor. Ook ben ik dankbaar voor de klassieke theologische opleiding, want het is goud waard dat je leert theologiseren. Je hebt namelijk een theologisch apparaat nodig om te kunnen uitleggen wat je doet en waarom.’
Vos heeft dezelfde dankbare houding richting gevestigde kerken. ‘Wij begonnen in Heerhugowaard met de gedachte aan kleine huiskringen, verspreid door de stad, maar leerden al snel dat de structuur van de gevestigde kerken zo gek nog niet is.’
‘Hij vertelde dat er geen sprake was van een transformatieproces als mensen niet emotioneel of boos werden’
Naast dankbaarheid geven ze graag een belangrijke les mee. Vos: ‘Het is heilzaam om het oude vertrouwde eens los te laten, want dan komt het erop aan. Misschien blijkt dan ook dat er veel opsmuk is en dat het gemeenschappelijke geloofsleven zonder die opsmuk veel levendiger en intenser kan zijn en heel dichtbij kan komen. In de Bijbel kom je voortdurend mensen tegen die iets achter moeten laten om zo vernieuwd vooruit te gaan.’
Horsman beaamt de woorden van Vos. ‘Loslaten is één van de allerbelangrijkste lessen. Dat klinkt misschien passief, maar loslaten is actief. Je moet het leren, je moet het doen, je moet het besluiten. Net als ouders die hun kinderen moeten loslaten. Dat betekent niet dat ze hen laten gaan, maar dat ze vertrouwen en geloof in hen hebben en dat ook aan hun kinderen geven.’
Autonomie
Als laatste onderstreept Vos dat een missionaire instelling ook veel vreugde en vernieuwing kan opleveren. ‘Je doet het ergens voor. Het betekent niet dat iedereen dit moet gaan doen, maar het zou mooi zijn als je wel van elkaar wilt leren. Probeer profijt te hebben van wat er in de marge gebeurt.’
Horsman: ‘Echte theologische creativiteit zit vaak aan de rand, want daar schuurt het. Wij hebben een totaal nieuwe doopliturgie ontwikkeld en daarbij hebben we gebruikgemaakt van verschillende tradities. Ik herinner me dat ik met een groep die belijdenis wilde doen de vragen uit het traditionele formulier voor het doen van openbare geloofsbelijdenis las en dat ze daar allemaal mee instemden. Toen ik daarna het nieuwe formulier voorlas, was er ineens aarzeling. Eén van de “nieuwe” vragen was bijvoorbeeld: “Geef je de absolute autonomie over je leven op?” Met deze nieuwe woorden kwam het ineens veel dichterbij. Juist in missionaire situaties worden vragen gesteld die ervoor zorgen dat je zaken opnieuw moet verwoorden. Alleen daarom al heeft de kerk missionaire projecten nodig en is een wisselwerking van essentiële waarde.’
Maarten Boersema is fotograaf, tekstschrijver en predikant.



