Het uitroeiingsbevel als struikeltekst
- Opinie
‘Straks zal de HEER, uw God, u naar het land brengen dat u in bezit zult nemen en veel volken voor u op de vlucht jagen (…) zeven volken die groter en machtiger zijn dan u. Wanneer de HEER, uw God, u de overwinning op hen schenkt, moet u hen doden’ (Deuteronomium 7:1-2). Voor westerse mensen anno 2017 is dit bevel wel even slikken. Is dit rechtvaardig?
‘We weten allemaal wel, als je je een beetje verdiept, dat die boeken verschrikkelijk zijn, dat ze altijd oproepen tot geweld.’ Jeroen Pauw ging kort door de bocht toen hij de Bijbel en de Koran tijdens een tv-uitzending op één hoop veegde. Later nuanceerde hij zich enigszins: ‘Ik zal niet zeggen dat de Bijbel van a tot z oproept tot geweld, maar er staan ontzettend veel geweldsoproepen in de Bijbel.’
Pauw is niet de enige die struikelt over bepaalde Bijbelteksten. De schrijver Dimitri Verhulst noemt de Bijbel zelfs een ‘bloedboek’ in zijn gelijknamige boek. Spottend typeert hij de God van de Bijbel als ‘het genie der genocide’ en ‘de grootste mensenhater’ die hij ooit gekend heeft. Met een venijnige ondertoon spreekt Verhulst over ‘de Israëlezen’ en foetert hij op de belachelijkheid van het hele idee van de uitverkiezing, dat niets anders dan een ‘gevoel van meerderwaardigheid en arrogantie’ heeft opgeleverd. ‘Eigen bloed eerst’ zou Israëls motto zijn en de intocht in Kanaän een vorm van ‘Endlösung’.
Verhalen als deze zijn niet los verkrijgbaar
Verhulst is extreem in zijn uitingen, maar dat vooral de verkiezing van Israël hem aanstoot geeft, is onthullend. In het kader van het uitroeiingsbevel – Gods opdracht aan Israël om zeven volken van Kanaän uit te roeien – brengt de Bijbel zelf die verkiezing ook ter sprake: ‘Want u bent een volk dat aan de HEER, uw God, is gewijd. U bent door Hem uitgekozen om, anders dan alle andere volken op aarde, zijn kostbaar bezit te zijn’ (Deuteronomium 7:6). Maar Gods motief is niet etnisch of ethisch bepaald, alsof Israël een superieur volk zou zijn. Gods liefde en zijn belofte aan de aartsvaders drijven Hem.
Israëls verkiezing betekent ook geen afscheid van de andere volken. ‘Ik zal zegenen wie jou zegenen’, had God al tegen Abraham gezegd (Genesis 12:3). Wie aanvaardt dat God verkiest wie Hij wil en daaraan geen aanstoot neemt, mag delen in de zegen ervan. De Kanaänitische vrouw uit het evangelie – afkomstig uit de volken die aanvankelijk nog onder Gods uitroeiingsbevel vielen! – is daar een prachtig voorbeeld van. Zij is blij met de kruimels die van Israëls tafel vallen (Matteüs 15:27). Een nieuwtestamentische Rachab (vergelijk Jozua 2:9-13)!
Kortsluiting
Toch blijft dat uitroeiingsbevel van destijds een moeilijk gegeven. Wat moet je er als Bijbellezer vandaag mee? Het is in elk geval belangrijk om welwillend te luisteren en niet te snel te oordelen vanuit het standpunt van onze huidige cultuur. Verhalen als deze zijn niet los verkrijgbaar, maar maken deel uit van de lange weg die God met Israël en de volken is gegaan, tot aan Jezus Christus.
Anders dan de Koran vertelt de Bijbel een geschiedenis waarin je verschillende fases kunt aanwijzen. Vraag daarom altijd wat het voor de uitleg van een tekst betekent dat Christus is gekomen en dat Gods weg met Israël en de volken op Hem is uitgelopen. Dat kan kortsluiting zoals die van Jeroen Pauw voorkomen.
Dan kun je ook meer recht doen aan de kloof die Bijbellezers vandaag met het Oude Testament ervaren. Als God Israël verkiest en met dat volk op weg gaat, doet Hij dat in een wereld van ruim drieduizend jaar geleden, waarin niemand ooit van mensenrechten heeft gehoord en waarin sterk vanuit het collectief wordt gedacht, in volken en stamverbanden. Bovendien waren die volken destijds volop in beweging. Stammen en steden vochten om hun bestaan. De opgang van de één betekende de ondergang van de ander.
Moderne mensen denken vanuit de context van gevestigde staten. Wij lezen het verhaal van Israëls intocht met heel andere gevoelens en zijn geneigd om die met een moderne westerse maat te meten. Op zich begrijpelijk natuurlijk, maar het is wel belangrijk om je van dit enorme cultuurverschil bewust te zijn.
Bestaansrecht
Het kan behulpzaam zijn om het verhaal van Sodom erbij te betrekken. Deze stad wordt door God omgekeerd vanwege het grote onrecht dat daar plaatsvond. Abraham ontkent Gods recht om daarover te oordelen niet, maar vraagt God wel aandacht voor de onschuldigen: ‘Zoiets kunt U toch niet doen, hen samen met de schuldigen laten omkomen! (…) Hij die rechter is over de hele aarde moet toch rechtvaardig handelen?’ (Genesis 18:25). Een indrukwekkend gebed, dat anders verhoord wordt dan Abraham dacht. God laat de familie van Lot ontkomen, maar dan komt het oordeel wel.
Er kan een moment komen dat God zegt dat mensen hun bestaansrecht hebben verspeeld
De zeven volken van Kanaän staan net als Sodom symbool voor de omvang van het onrecht op aarde en voor Gods recht om daarover te oordelen. Er kan een moment komen dat God zegt dat mensen hun bestaansrecht hebben verspeeld. Dat is best heftig, maar heeft niets met racisme of etnische zuivering te maken. In de praktijk was Israël vaak geen haar beter en heeft het ook zelf Gods oordeel moeten ondergaan. Zo werd Gods opdracht al spoedig achterhaald door de geschiedenis en niet meer opnieuw gegeven (vergelijk Rechters 2:3).
Onschuldig
Mijn eigen verlegenheid met dat eenmalig gegeven uitroeiingsbevel blijft wel dat God zijn oordeel, anders dan bij Sodom, door Israël wil laten voltrekken. Dat maakt dit Bijbelverhaal kwetsbaar. Hoe kan een onheilig volk Gods heilig oordeel uitvoeren? Dreigt dan geen ontheiliging van Gods naam? Het is maar goed dat God deze opdracht niet tot het uiterste heeft doorgezet.
Toch bepaalt dit Bijbelverhaal mij er blijvend bij dat God rechter van heel de aarde is. Eens zal Hij werkelijk een streep zetten en zijn oordeel over de wereld uitspreken. ‘Wie zal die dag kunnen doorstaan? Wie zal overeind blijven wanneer Hij verschijnt?’ (Maleachi 3:2)
Het verhaal van Gods oordeel over de volken van Kanaän houdt mij ook vandaag een spiegel voor. Het laat mij zien dat het God ernst is met de wereld. Het laat mij ook de ernst zien van het oordeel dat Jezus aan het kruis heeft ondergaan. Zou de rechter van heel de aarde geen recht doen?
Abraham durfde niet verder te gaan met bidden dan tot op tien onschuldigen. In Jezus is God zelf verdergegaan tot op die ene die werkelijk onschuldig is. Omwille van één rechtvaardige is God bereid vele schuldigen vrij te spreken. Wij mogen vandaag leven in de verwachting van Hem ‘die Hij uit de dood heeft doen opstaan en die ons zal redden van de komende toorn’ (1 Tessalonicenzen 1:10) En óf het dus uitmaakt voor het lezen van struikelteksten als Deuteronomium 7 dat Jezus is gekomen!
Dr. Jaap Dekker is bijzonder hoogleraar ‘Bijbelonderzoek en christelijke identiteit’ aan de Theologische Universiteit Utrecht.



