Mag de eredienst ook anders?
- Opinie
Stel, er was geen kerk in Nederland, maar wij woonden hier allemaal wel, leerden elkaar kennen als christenen en zouden besluiten om een gemeente te beginnen. Zouden onze erediensten dan net zo verlopen als nu? Al heel wat keren heb ik dit gedachte-experiment gedaan en steevast antwoordden jong en oud direct: ‘O nee, vast niet!’
Iedereen voelt ergens wel aan dat onze huidige vormen niet een-op-een uit de Bijbel zijn af te leiden, maar dat ze mede onder invloed van de tijd en de cultuur tot stand zijn gekomen. Laten we het gedachte-experiment maar eens concreet maken.
Stel er was hier nog geen kerk en we zouden op nul beginnen, zouden we dan:
- een aparte binnenkomst van de kerkenraad hebben;
- elke dienst beginnen met de woorden ‘Onze hulp is…’;
- een eenmansbediening hebben, waarbij alleen de voorganger een actieve rol heeft;
- elke zondag de tien geboden voorlezen;
- vooral psalmen zingen bij het orgel;
- diensten hebben met een strak, formeel verloop?
Ik stel me zo voor dat het antwoord op al deze vragen nee is, of hooguit misschien. De vormgeving van onze erediensten is het resultaat van een lange traditie waarin we als kerk keuzes hebben gemaakt. Zouden we vandaag opnieuw beginnen, dan zouden we – vermoedelijk onbewust – onder invloed van onze tijd en cultuur vormen kiezen die ons passend lijken.
Nu is er niets mis met het maken van keuzes. Een eredienst moet immers concreet vormgegeven worden. Het probleem is dat bepaalde vormen, die soms al heel lang meegaan, vandaag voor velen niet meer ‘werken’: de weg naar het hart wordt niet (meer) gevonden. Terwijl de eredienst toch een ontmoeting van hart tot hart tussen God en zijn gemeente is. Meer dan eens heb ik mensen horen zeggen dat de vormgeving van de dienst in hoge mate hun ontvankelijkheid bepaalt. En dan heb ik het niet alleen over jongeren. Ook dertigers, veertigers en vijftigers geven dit aan.
In de tang
Het Nieuwe Testament reikt alleen de basisingrediënten voor de eredienst aan: ten minste gebed, prediking en (lof)zang. De vormgeving ervan wordt echter grotendeels aan onze vrijheid overgelaten. Vormen zullen een daadwerkelijke ontmoeting moeten dienen. Gebeurt dat bij bepaalde vormen stelselmatig niet, dan kunnen ze rustig aangepast worden.
Ik wil vooral de in mijn ogen vaak onterechte principiële geladenheid van allerlei gesprekken en discussies afhalen
De praktijk is echter weerbarstig. Gewoontevorming speelt ons parten. Aan sommige gewoontes kun je zo gehecht raken dat ze je dierbaar worden. Daar is op zich niets mis mee: zo zit een mens in elkaar. Een scheppingsgegeven. Anders wordt het als allerlei principieel klinkende argumenten met deze soms eeuwenoude gewoontes verbonden worden, alsof ze vrijwel rechtstreeks uit de Bijbel komen. Zo kun je bijvoorbeeld horen dat een podium uit den boze is: de dominee moet op de preekstoel, het Woord komt immers van boven. We hebben elkaar soms aardig in de tang met dit soort redeneringen. Een heikel punt waar mijns inziens ten onrechte heel wat principiële lading aan gegeven wordt, werk ik hierna uit.
Ik
Soms hoor je verzuchten dat de psalmen nog maar zo weinig worden gezongen. Wie ermee is opgegroeid en ze altijd graag gezongen heeft, wil ze niet graag kwijt. Ze zijn als het ware onderdeel van je geloof geworden en wel in een alles-in-éénpakket van tekst, melodie en orgelbegeleiding. Zoals ik al zei: niets mis mee. Zeg maar gewoon dat ze je dierbaar zijn. Ik merk regelmatig dat dat veel begrip oplevert en bereidheid om de psalmen een blijvende plek te geven. Maar geef aan je voorkeur voor de psalmen niet meer principiële lading dan je kunt waarmaken.
In het verleden hebben we trouwens nooit echt de psalmen gezongen, maar alleen losse ‘versjes’, die daarmee uit hun verband werden gerukt. Verder roept de Bijbel ons op om ‘psalmen, hymnen en liederen die de Geest ons vol genade ingeeft’ te zingen. Christus verdient het toch dat Hij in nieuwe/nieuwtestamentische liederen heel rechtstreeks bezongen wordt?!
Nu wordt met name van Opwekkingsliederen nogal eens gezegd dat die de mens te veel centraal stellen. Maar tel eens hoe vaak het woord ‘ik’ of ‘mij’ in Psalm 116 voorkomt. Bovendien, juist in een relatie mogen beide partners toch in beeld komen? Wat dat betreft zegt Psalm 66:16 heel treffend: ‘Kom en hoor wat ik wil vertellen (…), wat Hij voor mij heeft gedaan.’
Elke behoefte tot verandering is dus niet per definitie de mens centraal stellen. Dat valt moeilijk vol te houden wanneer zo’n behoefte voortkomt uit het oprechte verlangen om God echt te ontmoeten en in het hart geraakt te worden – een hartsverlangen dat God maar al te graag ziet!
De typering van de eredienst als ontmoeting kan ons helpen om allerlei valse dilemma’s te overstijgen. Als ik een feest geef, hoop ik dat mijn gasten en ik wederzijds van elkaar genieten. Nemen ze een cadeau voor me mee, dan mag daarin gerust iets van henzelf meekomen. Eigenlijk wel zo mooi.
Grenzen
Als het hart erbij is, kan er blijkbaar veel. Het uitbundige optreden van David (2 Samuel 6) valt bij de Heer in de smaak, en dat terwijl hij gekleed in slechts een linnen priesterhemd voor de ark, het meest heilige voorwerp uit de tabernakel, uit danste. Maar hij deed het vol overgave voor de Heer.
Wie moeite heeft met het uitbundige van een band kan ik vanuit onze traditie wel begrijpen. Daarin hebben we eerbied altijd verbonden met een strak en ordelijk verloop van de dienst; iedereen zit er stil en rustig bij en heeft nette kleren aan. Maar zou het kunnen dat dit veel meer cultureel dan Bijbels gekleurd is? Misschien helpt het om het optreden van een band (en allerlei andere dingen) eens vanuit Davids optreden vol overgave te bekijken.
Moet dan alles op de schop? Dat zeg ik niet. Ik wil vooral de in mijn ogen vaak onterechte principiële geladenheid van allerlei gesprekken en discussies afhalen. Hopelijk geeft dat ruimte om tot eigentijdse vormen van de eredienst te komen.
Eenvoudig zal het niet zijn. Door alle snelle veranderingen in de afgelopen eeuw zijn de verschillen in levensgevoel tussen generaties nog nooit zo groot geweest. Geen wonder dus dat we in combinatie met de toegenomen mondigheid aanlopen tegen de grenzen van de veelkleurigheid.
Nu komt het erop aan dat we in praktijk brengen wat we in al onze discipelschapsprojecten en dergelijke hebben geleerd: liefde voor en gerichtheid op elkaar, om samen passende vormen te vinden waardoor onze harten echt geraakt worden. Tot eer van God.
Maarten van Loon is predikant van de GKv Dalfsen-Oost en redacteur van OnderWeg.



