‘Die is, die was en die komt…’
- Eyeopener
‘Ik ben de alfa en de omega,’ zegt God, de Heer, ‘Ik ben het die is, die was en die komt, de Almachtige.’
(Openbaring 1:8)
Gods naam is veelzeggend. Juist in het verschil tussen zijn eigennaam en de aanduidingen voor andere goden wordt duidelijk dat Hij helemaal anders is. Hij is een persoonlijke God en Hij komt naar ons toe.
Voor de bestuurlijke en religieuze elite in ons land geldt dat die veelal zo areligieus is ingesteld dat over God niet wordt gesproken, tenzij op gedistantieerde of enigszins besmuikte wijze. Dan treft het als een topwetenschapper en uitmuntend bestuurder als Ronald Waterman wel van God gewag maakt. Een indrukwekkend interview met hem, een Jood die opgroeide in een humanistisch milieu, stond in het Nederlands Dagblad van 3 december 2016. Daarin kwam, naast zijn levenservaring en werk, ook zijn visie op het bestaan ter sprake: ‘Er is iets bijzonders aan de hand. In de natuur. In de kosmos. Met Spinoza spreek ik van de Altijd-zijnde. Dit zit ook in de Hebreeuwse Godsnaam, JHWH, Hij die was, Hij die is, Hij die zal zijn, de Eeuwige, het eeuwige. Maar ik zie dit eeuwig zijnde niet als persoonlijke God.’
Van de eerbied die uit deze zinnen spreekt, ben ik onder de indruk. Hier is iemand aan het woord voor wie het bestaan meer is dan atomen die met elkaar uiterst heftige, interessante en verrassende verbindingen en reacties aangaan. Er is iets bijzonders aan de hand, anders gezegd: ‘de dingen hebben hun geheim’ en dat is voor Waterman de Eeuwige, de Altijd-zijnde.
Ik kan me voorstellen dat mensen die verwonderd door de wereld gaan, die een heilig ontzag voor de schepping hebben, tot zo’n godsbeeld komen, als alternatief voor het geloof in een persoonlijke God. En ik ben ervan overtuigd dat een dergelijk godsbesef tot een levenshouding en een omgang met de aarde kan brengen waar ik als christen veel van kan leren. Toch ben ik intens dankbaar dat de Bijbel fundamenteel anders over God spreekt. Hij is niet ‘die was, die is en die zal zijn’, maar ‘die is, die was en die komt’ (Openbaring 1:4 en 8).
Oneindigheid
Ook in de antieke wereld werd over goden gesproken in termen die later de filosoof Spinoza gebruikte. Op de tempel van de Romeinse godin Minerva stond: ‘Ik ben het al, dat geweest is, dat is en dat zal zijn.’ En de Griekse schrijver Pausanias schreef over de godheid Zeus: ‘Zeus was, Zeus is, Zeus zal zijn.’
Als de HEER zich openbaart als ‘ik ben het die is, die was en die komt’, mag dus aangenomen worden dat hier welbewust gevarieerd wordt op een bekende manier van spreken over goden. Daarvan wordt een eigen, op Gods openbaring geënte versie gegeven. In twee belangrijke opzichten verschilt die versie van de antieke. De antieke spreuk is volkomen logisch van opzet: drie vervoegingen van het werkwoord zijn en wel in de verleden, de tegenwoordige en de toekomende tijd. De oneindigheid van God wordt zo beklemtoond. De Openbaring aan Johannes spot niet met deze logica, maar speelt ermee. Om te beginnen noemt God zichzelf ‘Ik ben het die is’ en dan pas noemt Hij zichzelf ‘die was’. En in het derde zinsdeel, dat in beide gevallen over de toekomst spreekt, stelt God zichzelf niet voor als ‘die zal zijn’, maar als ‘die komt’. Twee verschillen, die zichtbaar maken dat er een wereld van verschil bestaat tussen JHWH, de God van de Bijbel, en de god(en) van de filosofen.
Toch ben ik intens dankbaar dat de Bijbel
fundamenteel anders over God spreekt
IK BEN
De HEER begint met zichzelf bekend te maken als ‘Hij die is’. Ja, Hij is ook degene die was, de eerste, de alfa, het begin, maar op zijn visitekaartje staat allereerst ‘Hij die is’. Zo heeft Hij zichzelf bekendgemaakt aan Mozes. Bij de berg Sinaï zegt Hij: ‘IK BEN DIE IK BEN.’ En: ‘Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: “IK BEN heeft mij naar u toe gezonden”’ (Exodus 3:14, HSV). Of: ‘Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: “IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toe gestuurd”’ (NBV).
Op die naam van God, JHWH, grijpt Openbaring 1 terug. IK BEN is aan het woord. Daarmee is niet gezegd dat God ‘de eeuwig zijnde’ is, maar dat Hij erbij is, dat Hij ten hoogste betrokken is. Wat God in Exodus 3:12 tegen Mozes zegt, ‘Ik zal bij je zijn’, komt terug in de verzen die volgen. God is niet de zijnde, hij is de erbij zijnde!
En zo, door één simpele ingreep in de antieke spreuk, verandert die totaal van karakter. De HEER is geen onpersoonlijke, abstracte grootheid die samenvalt met het bestaan zelf, maar iemand die jou ziet zoals je bent, dieper dan jij jezelf ooit kent. Hij staat voor ultieme betrokkenheid, bewogenheid, barmhartigheid. Hij staat niet voor afstand, al is het gepast om eerbiedig tot Hem te naderen, Hij staat voor nabijheid, voor relatie zelfs.
Voorwaartse drang
Dan het tweede moment waarop de logica opvallend doorbroken wordt. God, de Vader van Jezus Christus, is niet degene ‘die zal zijn’, maar degene ‘die komt’. Hij is geen statische, in zichzelf opgesloten godheid, maar uiterst dynamisch, een God die je hart sneller doet kloppen.
Wat heb je als mensheid en als mens aan een God ‘die was, die is en die zal zijn’? Vrijwel niets, toch? Dat zou betekenen dat alles wat bestaat in stand wordt gehouden door iets wat groter is. Daar kun je een zekere troost in vinden, dat kan tot een eerbiedige houding tegenover de schepping brengen, maar het verschaft geen enkel perspectief en biedt geen enkele hoop. Maar JHWH is de God ‘die komt’. In de Bijbel zit een hoopvolle, voorwaartse drang. ‘Hij komt!’ zegt het Oude Testament al. Hij komt als rechter van de aarde. Hij komt om de wereld rechtvaardig te berechten (Psalm 96:13). En daarom, zegt dezelfde psalm: ‘Laat de hemel verheugd zijn, de aarde juichen, de zee bruisen en alles wat daar leeft. Laat het veld verblijd zijn en alles wat daar groeit, laten alle bomen jubelen.’ Want: HIJ KOMT!
Aan dit komen van God zit ook een messiaanse dimensie. ‘Gezegend wie komt met de naam van de Heer!’ zingt Psalm 118:26. Het zijn deze messiaanse woorden die geroepen worden als Jezus Jeruzalem binnentrekt. De toekomst is al doorgebroken in het heden. Hij komt… om gerechtigheid te brengen, om vrede geven, om de tranen van de ogen te wissen! Weinig andere Bijbelboeken benadrukken dat zo sterk als de Openbaring aan Johannes. Openbaring 1:7 zingt: ‘Hij komt te midden van de wolken, en dan zal iedereen Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben.’
In de Bijbel zit een hoopvolle, voorwaartse drang
Hoop
Als christenen leven we van en bij de woorden die ons geopenbaard zijn. Als ik het zonder die woorden zou moeten doen, wie weet zou ik dan ook spreken over God als de ‘eeuwig zijnde’, ‘die was, die is, die zal zijn’ – als ik al zou geloven. Maar die abstracte woorden zouden een schrale troost zijn. Ik zou me niet gekend weten en niet geborgen. Ik zou geen hoop voor de wereld hebben. En je gekend weten of niet, hoop hebben of niet, dat is een wereld van verschil. Geloof doet hopen, toch? En hoop schept de ruimte om voluit te kunnen liefhebben.
God zij dank mogen we weet hebben van een persoonlijke God, die ten hoogste betrokken is. In Christus is Hij gekomen, Hij is op weg, Hij komt. Amen, ja amen.
Om over na te denken
- Voor sommige mensen is het spreken van een Spinoza over God als de ‘eeuwig zijnde’ aantrekkelijker dan het Bijbelse spreken over een persoonlijke God. Hoe zou dat komen?
- De Herziene Statenvertaling vertaalt Exodus 3:14 met: ‘IK BEN heeft mij naar u toe gezonden.’ In de Nieuwe Bijbelvertaling staat: ‘IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toe gestuurd.’ Verwart je dat? Kun je er iets mee? Welke vertaling spreekt je het meest aan?
- Waarin ervaar je dat God erbij is – niet abstract, maar heel persoonlijk? Welke woorden geef je daar aan?
- ‘Hij is op weg. Hij komt.’ In welke opzichten kleurt en bepaalt dit jouw leven? Waaruit blijkt dat voor de mensen om je heen?
- De HEER komt als een dief in de nacht, zo staat het herhaaldelijk in het Nieuwe Testament. Hoe waakzaam ben jij? En hoe geef je invulling aan die waakzaamheid?
Ds. Jan Mudde is als predikant verbonden aan de NGK Enschede-Lasonderkerk. Hij is ook kernredacteur van Onderweg.



