De laatste krijgsmachtpredikant van de NGK neemt afscheid
- Interview
Hoe laat staat een pensionado op? Het is even wennen voor Kees Smit, maar hij kan opstaan wanneer hij wil. En dat op een leeftijd (57) die hij niet direct associeert met achteroverleunen. Functioneel leeftijdsontslag heet dat bij Defensie. In 1991 werd Smit aangesteld als geestelijk verzorger bij de krijgsmacht, vanuit de NGK Culemborg, waar hij sinds 1984 gemeentepredikant was. Afgelopen mei nam hij, als enige overgebleven krijgsmachtpredikant van de NGK, afscheid in een uittrededienst. Een goed moment voor een terugblik op zijn werk.
Beschrijf eens een dag van een geestelijk verzorger in het leger.
‘Een krijgsmachtpredikant is verbonden aan een eenheid: een schip of, zoals in mijn geval, een opleidingscentrum, een tankbataljon en een pantserinfanteriebataljon. Een groep van 350-500 mannen en vrouwen. Samen met een arts en een maatschappelijk werker hoor je bij die club mensen. Dat betekent dat je hen bezoekt tijdens hun werk. Je leeft met hen mee. Je praat over gewone dingen, maar ook over keuzes, relaties, blijde dingen, verdriet en wat hen gaande houdt. Je gaat ook met ze mee op oefening en op missie. Daarnaast signaleer je: je geeft adviezen aan de organisatie en je coördineert de zorg.’
En je deed kerkdiensten.
‘Ja, vooral tijdens oefeningen en missies. Daar beleef je een intense verbondenheid. Omdat je zelf vanzelfsprekend deel uitmaakt van de groep, doet de kerkdienst dat ook. Militairen verwachten dat ook. In Bosnië was mijn trouwste kerkganger een atheïst. Die waardeerde dat uur rust, dat moment van reflectie op thema’s die in de dynamiek van de compound niet aan bod kwamen.
Ik ben in de loop van de jaren wel anders gaan preken. Minder gefocust op de uitleg van de leer, meer op zoek naar waar het evangelie raakt aan het verhaal van mensen. Iets minder hoofd, iets meer hart.’
‘Uiteraard is de dominee een softie. Maar als er een collega sneuvelt, moet die softie het wel doen’
Een militair is stoer, wil die zich wel in zijn ziel laten kijken?
‘Natuurlijk zitten we niet te wachten op een leger van watjes. Maar je mag nog zo stoer zijn, als je leed en onrecht tegenkomt of in de loop van een kalasjnikov kijkt, dan koop je niets voor je stoerheid.
Uiteraard is de dominee een softie. Maar als er een collega sneuvelt, moet die softie het wel doen; een militair weet niet hoe dat moet. Zelf moet je niet stoer lopen doen, dan val je door de mand. Je eigenheid is dat je een representant bent van de kerk, van God. Je brengt iets mee wat groter is dan Kees alleen. Je kunt ze een veiliger gevoel geven. Je aanwezigheid kan zelfs een bezwerende werking hebben tegen kwaad en dreiging.’
Welke ervaringen blijven je bij?
‘Allereerst de verwondering dat mensen mij toelieten, dat ik echt bij ze hoorde. Ik denk aan de militair die me tijdens een missie vroeg: “Maar Kees, hoe gaat het nou met jóu?” Ik ben dankbaar voor de intense verbondenheid die ik beleefd heb met de militairen. Van al die ontmoetingen heb ik veel geleerd. Ik ben gegroeid in het leren kennen van de liefde van God, die mijn bevatting te boven gaat. En ik heb geleerd met een andere blik, met de ogen van de ander, naar God te kijken.’
Kunnen wij even meekijken?
‘Ikzelf kan alleen maar kijken tot aan mijn eigen horizon. Door de ogen van een ander verschuift mijn blik op wat God óók doet, hoe Hij óók is. Op zijn sterfbed vroeg een Hindoestaanse collega mij: “Wil je met mij bidden?” “Maar ik ben een gereformeerde jongen”, antwoordde ik. “Dat weet ik”, zei hij, “maar wil je het doen?” Ik heb toen met hem gebeden en die ervaring was voor mij grensoverschrijdend. Hoe precies, dat weet ik niet, maar die ervaring maakte de God van de Bijbel alleen maar groter.’
Je eigen geloof, hoe zou je dat omschrijven?
‘Het is een basaal vertrouwen dat mijn leven geborgen is in God. Ik leef in de verhalen van de God van Israël, de God van Abraham, Isaak en Jakob, de vader van Jezus Christus. Zo ken ik Hem. Hij is soms dichtbij, soms ver weg. Soms ben ik met Hem verbonden, soms niet. Maar ik keer telkens terug naar Hem. Met alles wat ik van Hem weet en niet weet.’
‘Typisch christelijk? Nee, maar ik had wel dat kruisje op mijn uniform’
En Jezus?
‘Met Jezus laat God zich in zijn hart kijken. Ik kan God niet denken zonder Jezus. Natuurlijk, ik ken vanuit mijn eigen verleden de traditionele benadering waarin alles draait om Jezus en het kruis. Een waardevolle notie, maar die houdt mij ook op afstand tot God zelf. Ik heb geen moeite met het verhaal van de verzoening en Jezus’ opstanding. Wel met een leerstuk waardoor alles kloppend wordt. Het leven wordt daarmee niet kloppend. Het geeft geen antwoord op elke vraag.’
Wat is de roeping van de kerk in de wereld nu?
‘Met Stefan Paas zeg ik: vergeet het priesterlijke element niet. De priester representeert God bij het volk en andersom. Zo is het ook met de kerk. Wij moeten de lofzang gaande houden, midden in deze wereld, als sacrament, als zichtbaar teken en zegel. Hier zie ik parallellen met mijn werk in het leger. Het was niet mijn taak om te bekeren, wel om zorg en aandacht aan de mensen te geven, gericht op de bronnen van het leven: hoop, troost, idealen, levenskracht en levenskunst. Typisch christelijk? Nee, maar ik had wel dat kruisje op mijn uniform. Dat heeft de kerk ook. Het goede doen, dat is wat God met de wereld voorheeft. Zo wil God gekend zijn. Daarom vernieuwt Hij ons dagelijks. Hij wil dat het leven goed is.’
Harmen Holwerda is lid van de NGK Culemborg.



