Heiligen hebben altijd status (2)
- Opinie
De meeste christenen zullen zichzelf niet gauw als ‘heilige’ betitelen. Toch spreekt de Bijbel herhaaldelijk van Gods heiligen; eerst met betrekking tot de Israëlieten, later als aanduiding van de eerste christenen. Deel twee van een tweeluik over ons, heiligen.
In zijn brieven gebruikt de apostel Paulus de term heiligen soms in de betekenis van messiasbelijdende Joden, bijvoorbeeld als hij schrijft over de collecte voor Jeruzalem die hij tijdens zijn derde zendingsreis in de niet-Joodse gemeenten georganiseerd had: ‘Nu sta ik echter op het punt naar Jeruzalem te gaan om de heiligen daar bijstand te verlenen, want Macedonië en Achaje hebben voor de armen onder hen een collecte gehouden. Bid voor mij dat (…) mijn hulp door de heiligen in Jeruzalem zal worden gewaardeerd’ (Romeinen 15:25-26 en 31).
Als hij die collecte bij de Korintiërs aanbeveelt, heeft Paulus het kortweg over een inzameling van geld ‘voor de heiligen’, maar dan bedoelt hij net als in de Romeinenbrief waarschijnlijk geld ‘voor de armen onder de heiligen in Jeruzalem’ (1 Korintiërs 16:1; 2 Korintiërs 8:4, 9:1 en 12).
Nu trad juist Paulus op als apostel voor de niet-Joodse volken. Vroeger stonden zij per definitie buiten de kring van de heiligen, omdat zij de God van Israël niet vereerden. Maar na de komst van Jezus Christus lag dat anders. God maakt geen onderscheid, betoogt Paulus keer op keer (Romeinen 2:11; Efeziërs 6:9; Kolossenzen 3:25). Verbonden zijn met Christus overstijgt de grootste verschillen, het onderscheid tussen Jood en Griek voorop (Galaten 3:28). Overal ter wereld waren christelijke geloofsgemeenschappen ontstaan. Er woonden dus ook heiligen in Rome, Korinte, Filippi, Efeze en Kolosse.
Paulus adresseert zijn brieven voor de gemeenten daar aan mensen die hij kan betitelen als ‘geroepen heiligen’ (Romeinen 1:7; zie ook 1 Petrus 1:1: ‘in heiliging door de Geest’). In 1 Korintiërs 1:2 schrijft hij: ‘Aan de gemeente van God in Korinte, geheiligd door Christus Jezus, aan hen die zijn geroepen om zijn heiligen te zijn, en aan allen die de naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen, waar dan ook.’ Zo bestaat de christelijke gemeente in Korinte uit geroepen heiligen (zie ook vers 9). Net zoals Paulus zichzelf presenteerde als een geroepen apostel.
Heilige boontjes waren de Korintiërs bepaald niet, want Paulus moest hen op tal van punten tot de orde roepen. Maar als gevolg van hun goddelijke roeping door het evangelie hadden zij wel de status van heiligen gekregen. Dat ging hun leven steeds meer stempelen. Ze waren immers geheiligd: uit de heidenwereld losgemaakt en aan de God van Israël toegewijd, dankzij Christus Jezus. Ook de gelovig geworden Korintiërs behoorden voortaan tot Gods volk. Ze waren bestemd tot een nieuw leven. Zo kwamen er tal van heiligenlevens in Korinte!
Scheidsmuur
Christus heeft vrede gesticht: Hij heeft twee verschillende leefwerelden verenigd en de muur van vijandschap ertussen afgebroken (vers 14). Vermoedelijk zinspeelt Paulus op de muur in de tempel van Jeruzalem die het binnenplein en de zogeheten voorhof der heidenen van elkaar scheidde. Op het betreden van het binnenplein door niet-Joden stond de doodstraf. Die scheidsmuur was als de Thora: een omheining die Israël afschermde van de vijandige buitenwereld.
Maar Paulus verkondigt de val van de muur! Vreemdelingen zijn medeburgers geworden, zo staat er letterlijk, en gasten zijn veranderd in Gods huisgenoten. Samen met de messiasbelijdende Joden bevolken zij de éne christelijke kerk.
Alle heiligen
Zijn er dan heiligen in twee soorten? Alleen als je let op hun afkomst, uit Israël of uit de volken. Niet als je kijkt naar hun status bij God.
Opmerkelijk vaak valt het onderscheid tussen Joden en niet-Joden in het spraakgebruik van Paulus weg, zodat hij onbekommerd spreekt over ‘alle heiligen’. De gemeenten die hij had gesticht in de volkenwereld (uit bekeerde heidenen) hadden dezelfde identiteit als de moederkerk in Jeruzalem (uit messiasbelijdende Joden). Er ontwikkelde zich een heilige wereldkerk. Voortaan werd de groep heiligen gevormd door alle gelovigen samen. Gelovigen die elkaar hard nodig hebben, aldus Paulus. Pas ‘samen met alle heiligen’ zijn we in staat de multidimensionale liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat, te bevatten (Efeziërs 3:18).
Alle heiligen, dat zijn dus alle overtuigde christenen. Mensen die leven voor de Heilige, terwijl ze gedoopt zijn en avondmaal vieren. Daarom vechten ze tegen schijnheiligheid in hun eigen leven en in dat van anderen. Hun heiligverklaring is geen status quo, maar bedoeld om toe te groeien naar de terugkomst van de Heer: ‘Laat wie heilig is nog meer geheiligd worden’ (Openbaring 22:11).
Sinds de tijd van het Nieuwe Testament is hun aantal enorm toegenomen. Tegenwoordig rekent ongeveer een derde van de wereldbevolking zich tot het christendom. Niemand weet hoe groot het aantal heiligen precies is, maar je vindt ze overal waar overtuigde christenen zijn.
Een heilige staat er nooit alleen voor. Gemeenschappelijk geloof werkt samenbindend. Waar je ook rondkijkt – in je plaatselijke gemeente, in een landelijk kerkverband of in de wereldwijde geloofsgemeenschap – er staan medegelovigen om je heen.
En: geen heiligen zonder status. Wij zijn eraan gewend te worden afgemeten aan onze maatschappelijke positie. De Bijbel wijst echter een andere weg: ontleen status aan je relatie met de heilige God. Voor Hem is niet belangrijk wat je hebt, maar wie je bent. Niet wat je hebt bereikt bepaalt je leven, maar waartoe je door Hem bent geroepen. Een christen heeft geen andere statussymbolen dan doop en avondmaal. Misschien zie je wel een heilige in de spiegel…
Een heiligenverhaal
Een jongetje kwam met zijn moeder langs een oude kathedraal. Hij keek omhoog en zei: ‘Kijk mama, die grote ramen zijn heel erg vies, die zien er echt niet mooi uit!’
De moeder nam hem mee naar binnen. Daar bleken de ramen opeens stralend licht te zijn, met de prachtigste kleuren. De kleine jongen was verbaasd en keek zijn ogen uit.
Boven het altaar was een bijzonder mooi raam met veel heiligenfiguren. Daardoorheen scheen op dat moment net de zon, zodat die figuren helder stralend oplichtten. ‘Mama, wie zijn dat?’ wilde de kleine jongen weten. Zijn moeder antwoordde: ‘Dat zijn heiligen. Kijk, koning David. En daar heb je moeder Maria. Dat is de apostel Paulus. En daar zie je Franciscus van Assisi.’
Het jongetje onthield dat goed. Een paar dagen later vroeg zijn leerkracht op school: ‘Wie kan mij zeggen wat een heilige is?’ Grote stilte in de klas. Alleen de kleine jongen stak zijn vinger op. Hij zei: ‘Ik weet het. Heiligen zijn mensen waar de zon doorheen schijnt!’
Rob van Houwelingen is emeritus hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit in Kampen.




