Jaïrus aan het woord
- Opinie
Op 22 november is het Eeuwigheidszondag, ook wel Gedachteniszondag genoemd. Een Bijbeloverdenking voor die dag aan de hand van het verhaal over het dochtertje van Jaïrus (Marcus 5:22-43), gezien door de ogen van Jaïrus zelf.
Wat mij is bijgebleven van die bewogen dag? Om te beginnen hoe verschrikkelijk het is je eigen kind te verliezen. Ons lieve meisje. Ons bloemetje in de knop. Ons enige kind. On-ver-draag-lijk. Dan kun je duizendmaal overste van de synagoge zijn, bemiddeld en gezien, maar waar leef je nog voor? ‘Dit niet!’ schreeuwde het in me. ‘God, dit niet!’
Ook herinner ik me die onweerstaanbare drang om naar Jezus te gaan. Ja, ook wij hadden van Hem gehoord. Wie niet? Natuurlijk wist ik deksels goed hoe er over Hem geoordeeld werd. Mijn eigen vrienden noemden hem een godslasteraar en bezetene. Dat heb ik overigens altijd anders gezien. Alleen een godsman kan zo spreken, demonen uitdrijven en zieken genezen, toch?
Toen ons dochtertje daar lag en ik hoorde dat Hij in aantocht was, zei ik tegen mijn vrouw: ‘Ik ga Jezus halen.’ Waarop zij zei: ‘Ga, Jaïrus. Gauw, ze is stervende.’
En dan Jezus’ reactie. Hij zei niet: ‘Jullie hypocrieten van de synagoge, jullie belasteren me, jullie belagen me, weg jij.’ En ook niet: ‘Ik ben bezig met de grote zaken van Gods koninkrijk, voor bijzaken heb ik geen tijd.’ Nee, Hij keek me aan, zag mijn hulpeloosheid en volstrekte radeloosheid, en was met ontferming bewogen. Dat sprak uit alles, vooral uit zijn ogen. God, die ogen…
Het sprak ook uit die soevereine rust die Hij te midden van al het gedrang uitstraalde. Zou ik een ramshoorn hebben gehad, dan had die de hele weg geloeid: ‘Alarm, spoedgeval, uit de weg!’ Maar bij Hem was er geen sprake van haast of paniek. Doodgemoedereerd liep Hij daar, alsof Hij alles in de hand had.
Heel tekenend: onderweg stond Hij opeens stil. Hij draaide zich om en vroeg iets aan het publiek. Een vrouw trad nerveus uit de rijen en vertelde omstandig een schrijnend verhaal. Hij luisterde geduldig en sprak haar vervolgens toe. Ze ontspande onder zijn woorden.
Eerlijk gezegd: ik vrat me op en werd hier gek van, maar vind het achteraf zo gaaf dat Hij ook voor haar alle tijd nam. De tijd is voor Hem niet wat hij voor ons is. De dood is voor Hem niet wat hij voor ons is. Verbijsterend.
Nog iets is me bijgebleven. Hij had het bij herhaling over geloven. Tegen die vrouw: ‘Je geloof heeft je gered.’ Tegen mij: ‘Wees niet bang, blijf geloven.’ Daardoor heeft het woordje ‘geloven’ een nieuwe betekenis voor me gekregen. Geloven is voor mij niet meer ‘geloven dat God bestaat’. Geloven is naar Jezus kijken en weten: ‘Hij is te vertrouwen, op Hem kan ik aan, Hij is Heer.’
En ja, ik ben ook anders tegen de dood gaan aankijken. ‘Het meisje is niet gestorven, zij slaapt’, zei Hij. Dood zijn of slapen: wat een wereld van verschil. Wie slaapt, rust uit. Hoeft eventjes niet meer. Kan weer wakker worden. Heeft nog een nieuwe dag voor zich. Wie slaapt, heeft toekomst…
Hij kijkt zo anders tegen de dood aan. Nee, dat zeg ik niet helemaal goed. Hij staat anders tegenover de dood. Hij staat erboven. ‘Meisje, Ik zeg je, sta op.’ En ze stond op, meteen, levenslustig, levenskrachtig. Werkelijk, zo ging het.
Hij regeert, zelfs over de dood.
Daarom geloof ik ook wat er verder over Hem verteld wordt. Ja, natuurlijk heb ik dat gevolgd, uiteindelijk ademloos. Hij werd door onze eigen mensen uitgeleverd aan de Romeinen – helaas waren hierbij zelfs enkele van mijn kennissen betrokken. Hij werd aan het kruis geslagen als een crimineel – wee ons. Maar op de derde dag stond Hij op uit de dood. Het wordt verteld en ik geloof het. Om wat ik zelf heb meegemaakt. Natuurlijk is Hij opgestaan! Natuurlijk leeft Hij!
Dit is mijn verhaal. Ik ben me er heel goed van bewust dat dit het mijne is en niet het jouwe. Waarom zou je hier anders aanwezig zijn, op deze laatste zondag van het kerkelijke jaar?
Je hebt het afgelopen jaar bij een graf gestaan. Je hebt een geliefde aan de dood moeten afstaan. Misschien was ze al oud, misschien was hij nog jong. En je kon niet, zoals ik, op Jezus afstappen. Je hebt Hem niet de hand van je geliefde zien pakken en horen zeggen: ‘Nelleke, sta op. Marinus, sta op.’ De dood kwam en je geliefde kwam niet terug.
En dan sta ik hier en vertel je mijn verhaal. Je hoort het misschien met gemengde gevoelens aan: ‘Waarom zijn kind wel? Waarom mijn kind, mijn broer, mijn zus, mijn vader, mijn moeder niet?’ Die vraag houdt mij ook bezig. En ik heb dit bedacht.
Stel dat ze weer zou sterven. Dat kan. Mijn vrouw en ik zijn ons daarvan ten zeerste bewust. Het is al eens gebeurd, het kan weer gebeuren. Ik moet er niet aan denken. Ik moet er werkelijk niet aan denken. Toch zou het niet helemaal hetzelfde zijn. We zouden anders tegenover de dood staan. We zouden tegen elkaar zeggen, zelfs bij haar graf: ‘Ze is niet dood, ze slaapt.’ En: ‘Wees niet bang, blijf geloven.’
En daarom hoop ik dat je vandaag moed en kracht kunt putten uit hetgeen ik meegemaakt heb, al is het mijn verhaal en niet het jouwe. Dat het mag meegaan je leven in. Als bron van troost. Als teken van hoop. Als uitnodiging om te geloven. In Jezus.
Werkelijk, dit mag je zeggen, bij welk graf je ook staat:
Je bent niet dood, je slaapt.
Je rust van je werken, je wacht.
Je wacht tot je door Hem bij je hand wordt gepakt:
‘Meisje, jongen, Ik zeg het, sta op.’
Ds. Jan Mudde is als predikant verbonden aan de NGK Enschede-Lasonderkerk. Hij is ook kernredacteur van Onderweg.



