Christenen, wat zijn dat voor mensen?
- Opinie
Waarom heten christenen christenen? De ontstaansgeschiedenis van de term biedt een perspectief dat ver afstaat van de beelden en associaties die ‘onze naam’ vandaag de dag oproept.
De naam ‘christenen’ heeft bij veel mensen een negatieve bijklank. Het woord roept associaties op met schijnheiligheid, seksueel misbruik, kruistochten in de middeleeuwen, allerlei verplichtingen, bezwaar tegen vaccinaties of opdringerige getuigen aan de deur. Uit onderzoek komen ook wel positieve punten naar voren: christenen geven veel meer dan gemiddeld aan goede doelen en zijn twee tot drie keer zo actief in het vrijwilligerswerk als andere Nederlanders.
Een gelovige zal hierin wel wat herkennen, maar tegelijk denken: daar gaat het toch niet om? Dit is niet wat mij als christen écht typeert. Maar wat is dan wel kenmerkend voor een christen?
Als antwoord op deze vraag wordt vaak concreet gedrag genoemd waaraan je christenen kunt herkennen. Het zijn mensen die sommige dingen bewust doen en andere dingen opzettelijk nalaten, alsof ze een functie of rol vervullen waarbij een bepaald gedrag past.
Maar christen zijn is geen rollenspel. Gelet op de oorspronkelijke betekenis van de naam christenen, volgelingen van Jezus Christus, is het iets existentieels, iets wat je hele wezen typeert. Maar die oorspronkelijke betekenis staat tegenwoordig soms ver van ons af. Wie hoort er nog de naam Christus in doorklinken? Van de eerste christenen kunnen we leren waarom juist deze naam typerend voor ons moet zijn.
Partijgangers
‘Het was in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd’ (Handelingen 11:26b). Leden van de Jeruzalemse moederkerk, messiasbelijdende Joden, waren in noordelijke richting uitgezwermd vanwege de vervolging na de dood van Stefanus (Handelingen 8:1; 11:19). In de diaspora werd het Woord ook tot niet-Joden gericht. Zo ontstond een dochtergemeente in Antiochië, bestaande uit Joden en niet-Joden.
Zij manifesteerde zich nadrukkelijk als een aparte groepering die niet zonder meer binnen het jodendom paste. Zodoende kregen buitenstaanders behoefte aan een vlag die deze nieuwe lading zou dekken: christianoi. Deze term betekent ‘aanhangers van Christus’. In het Nieuwe Testament komt op een vergelijkbare manier de term ‘herodianen’ voor: partijgangers van koning Herodes en zijn familie.
Christen zijn is geen rollenspel
Het waren dus niet de leerlingen van Jezus en zijn apostelen zelf die zich op een gegeven moment als christenen gingen betitelen. Zij spraken liever over ‘de Weg’, zo blijkt uit Handelingen (zie daarover het artikel Het beginnende pad van de Jezusbeweging in het allereerste nummer van OnderWeg). Maar door anderen werden ze christenen genoemd.
Christus-mensen dus, waarbij Christus door niet-Joodse buitenstaanders niet als een titel maar als een eigennaam werd opgevat. Indien de term ‘christianoi‘ zijn oorsprong vindt in het Latijn, is het waarschijnlijk dat ze ontstond in de ontmoeting tussen christenen uit Antiochië en Romeinse bestuurders van de stad. Vervolgens raakte de christennaam ook in het dagelijks verkeer ingeburgerd.
Wat blijkbaar het meest opviel aan deze beweging, was dat men het veel over ene Christus had. Jezus van Nazaret (kortweg ‘Christus’ genoemd) werd door hen beschouwd als de messias (Grieks: christos, gezalfde) van Israël en de redder van de wereld. Christus bepaalde hun identiteit als christenen. In zijn spoor wilde men verder gaan.
Grapje
Jaren later moest de apostel Paulus zich in Caesarea voor de overheid verantwoorden. Hij kreeg daar te maken met Festus, de Romeinse procurator, en met koning Herodes Agrippa II, die als Joodse autoriteit door de Romeinen werd gevraagd recht te spreken bij godsdienstige conflicten.
‘Agrippa zei tegen Paulus: “Dadelijk krijgt u me nog zover dat ik me voor christen uitgeef.” Paulus zei: “Of het nu dadelijk is of niet, ik zou tot God willen bidden dat niet alleen u, maar allen die nu naar me luisteren net zo worden als ik, afgezien dan van deze boeien”’ (Handelingen 26:28-29).
Het waren niet de leerlingen van Jezus zelf die zich op een gegeven moment als christenen gingen betitelen
Het grapje van Agrippa (‘Straks overreedt u me nog de rol van christen te gaan spelen’) lijkt bedoeld om het emotionele appèl van Paulus te relativeren. Tegelijk geeft het aan dat de koning Paulus niet als een misdadiger beschouwt. Blijkbaar was de christennaam bij de autoriteiten bekend toen Paulus ter verantwoording werd geroepen vanwege beschuldigingen van Joodse zijde.
De apostel reageert op zijn beurt meesterlijk op Agrippa’s grapje. Eerst herhaalt en intensiveert Paulus zijn appèl, uiterst serieus: ‘Ik bid tot God dat u niet een rol gaat spelen, maar echt christen wordt, want ik wil graag dat u en iedereen die mij hoort net zo zal worden als ik.’ Om er in één adem een humoristische zinswending aan toe te voegen: ‘…maar dan natuurlijk zonder handboeien’!
Zo eindigt deze officiële hoorzitting in een betrekkelijk luchtige sfeer. Gezamenlijk komen de Romeinse en Joodse machthebbers (vertegenwoordigd door respectievelijk Festus en Agrippa) tot de conclusie dat Paulus niets strafbaars gedaan heeft.
Het vrijmoedige optreden van de apostel laat zien dat het Woord van God zich niet aan de ketting laat leggen (2 Timoteüs 2:9). Een christen mag er zijn!
Dit is het eerste deel van een tweeluik over de naam christenen. Lees hier het tweede deel: Christenen hoeven zich niet te schamen
Rob van Houwelingen is emeritus hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit in Kampen.



