Getuigen in crisistijd
- Eyeopener
Wat u doet, is niet goed. Heb toch, bij alles wat u doet, ontzag voor onze God, anders haalt u zich de hoon van de vijandelijke volken op de hals!
Nehemia 5:9
In een crisis blijkt altijd weer dat de zwakkeren het hardst worden getroffen. Je ziet het ook bij de corona-uitbraak wereldwijd: degenen die het toch al moeilijk hadden worden extra geraakt en lijden het meest. Dat is wat er ook speelt in Nehemia 5.
Het is ook daar crisistijd. Een ramp van ongekende omvang had Israël getroffen: Jeruzalem was verwoest, de tempel lag in puin, de bevolking was gedeporteerd naar Babel. Inmiddels had de Perzische koning Cyrus Babel veroverd en het Joodse volk toestemming gegeven terug te gaan naar hun land en Jeruzalem en de tempel weer op te bouwen. Dat was een wonder van Gods genade en zo werd dat ook beleefd: als een bevrijding die deed denken aan die eerdere bevrijding uit Egypte, zo groot en bijzonder. Alleen, daarmee was de crisis niet voorbij. De teruggekeerde ballingen worstelden met economische tegenslag, het hele land moest opnieuw opgebouwd worden en er was gevaar van omringende volken.
Ik las de afgelopen weken het boek Nehemia en moest daarbij onwillekeurig ook aan ons denken. Aan onze crisis en aan de vraag hoe we als kerk verder zouden moeten in deze tijd. En ik dacht op meerdere momenten: misschien kunnen we wel van Nehemia leren hoe dat moet en kan: volk van God zijn in een tijd waarin de crisis nog niet voorbij is.
Wij weten van Nehemia vooral dat hij de muren van Jeruzalem herstelde. Maar in Nehemia 5 blijkt dat Nehemia zijn volk niet alleen beschermde tegen vijanden van buiten, maar ook tegen gevaar vanwege intern onrecht. In vers 1 horen we mensen zich beklagen over hun volksgenoten. Het woord dat gebruikt wordt voor ‘beklagen’ is hetzelfde woord als in Exodus 2:23-25, waar staat dat God de jammerkreten van zijn volk in Egypte hoorde (en erop reageerde). Het is een sterk en emotioneel woord dat een roep om hulp of een schreeuw van pijn aangeeft en zegt hoezeer er geleden wordt.
Aan het begin van Nehemia 5 wordt gezegd wat de oorzaak was: schulden, als gevolg van honger. De allerarmsten moesten lenen om in leven te blijven (5:2), anderen konden bezit verkopen of verpanden (5:3) maar de schulden niet meer afbetalen. Uiteindelijk werden niet alleen materiële goederen gebruikt als onderpand, maar moesten mensen hun kinderen als slaven verkopen. Grote machteloosheid was het gevolg (5:5, vergelijk Spreuken 22:7). Als Nehemia ervan hoort, raakt het hem en wordt hij boos. Sterker nog: hij wordt woedend (5:6). Misschien is het te vergelijken met wat je bij veel profeten ziet: dat ze in de emoties die zij zelf voelen en uiten iets van de emoties van God weerspiegelen. Nehemia’s boosheid over het onrecht is een weerkaatsing van Gods woede. Eigenlijk had je zo’n reactie al aan kunnen zien komen als je denkt aan dat woord uit vers 1, dat woord dat God Zelf in actie had laten komen om zijn volk te helpen…
Volk met een missie
Nehemia reageert. Op een grote vergadering roept hij de vooraanstaande burgers en bestuurders ter verantwoording. Hij wijst hen publiek terecht, laat zien wat hun politiek teweeg bracht (vers 8) en doet een beroep op hen om ‘ontzag te hebben voor God’, met het oog op de toekijkende wereld (5:9). Want dát is de motivatie van Nehemia voor zijn oproep tot omkeer! Niet: ‘anders haalt u zich de toorn van God op de hals’ – wat ongetwijfeld waar was -, maar: ‘anders haalt u zich de hoon van de vijandelijke volken op de hals’.
Waarom was dat dan zo erg? De teruggekeerde ballingen waren deel van dat volk dat God had uitgekozen, waarmee Hij een verbond had gesloten en door wie Hij ook alle andere volken wilde zegenen. Het was een volk met een missie. God had het volk bevrijd, eerst uit Egypte, nu uit de ballingschap en het zijn genade bewezen. Hij had het laten zien hoe Hij zelf is: bevrijdend, machtig, goed, trouw. Hoe zouden de volken daarvan iets moeten horen en zien? Door de manier waarop Gods volk leefde en weerspiegelde hoe Hij was. Dat was vanaf het begin de bedoeling (vergelijk Deuteronomium 4:6-8). Die bedoeling laat God niet los.
Compassie
Hij laat die bedoeling ook niet los in de tijd na de ballingschap. Ondanks alle mislukkingen van Israël om te lijken op God, houdt Hij vast aan zijn oorspronkelijke plan en roept zijn volk daarnaar terug. Door mensen als Nehemia die wijzen op Gods wet. Want dat is wat Nehemia doet in dat eerste stukje van vers 9: ‘heb toch ontzag voor onze God’. Dat is een rechtstreekse verwijzing naar Leviticus 25, een hoofdstuk over lenen en schuld, maar vooral over compassie met hen die hulp nodig hebben.
Wat de rijke Israëlieten gedaan hadden, was misschien niet eens in tegenspraak met de letter van de wet (het was in de wet toegestaan om te lenen tegen onderpand en zelfs om slaven te hebben), maar het ging wel in tegen de geest van de wet: onder die omstandigheden was zelfs het wachten op een jubeljaar niet verantwoord en de wet stond vol aanmoedigingen om armen te helpen in plaats van van hen te profiteren – dát is ‘ontzag hebben voor God’ (Leviticus 25:17, 36, 43). Door zo te leven zou Israël Gods licht mogen verspreiden onder de volken om hen heen.
Anders zijn
God laat zijn bedoeling ook niet los in onze tijd. Wij hebben vandaag geen andere opdracht dan Israël toen. Wij kennen onze Bevrijder, wij weten hoe onze God is: genadig en vol ontferming, goed en trouw. Wij zijn door Hem tot zijn volk gemaakt en we zijn geroepen zijn licht te verspreiden. Juist in een tijd van crisis komt het erop aan dat wij anders zijn en anders doen dan de wereld om ons heen. Dat we niet allereerst vechten voor herstel van eigen geluk en voorspoed, maar dat we omkijken naar wie achterblijft, zorgen voor wie niet zelf kan opkrabbelen, recht doen en opkomen voor gerechtigheid. Dan wijzen we naar de God die we kennen.
Nehemia gaf concrete aanwijzingen voor wat er moest veranderen en hij gaf zelf het goede voorbeeld in hoe hij leefde. Het slot van Nehemia 5 laat zien hoe hij in zijn leven iets weerspiegelde van hoe God is: gul, gevend, zorgend. Hij deed dat, zegt hij zelf, ‘uit ontzag voor God’ (5:15). Wij hebben met Israël mee leren ontdekken wie God is. Wij weten nog meer dan Nehemia hoe ver God in zijn liefde en ontferming gegaan is. En ook dat al ons falen om Hem te weerspiegelen opgenomen is in het verzoenende offer van de Here Jezus en het vernieuwende werk van de heilige Geest. Wij hebben méér dan reden om ontzag voor Hem te hebben en Hem dankbaar te volgen. Dat betekent heel concreet in een tijd van crisis: niet de grootste zorgen hebben om ons eigen welbevinden, persoonlijk of als kerken, maar vooral letten op waar de Here op let en op waar zijn zorg naar uitgaat. Zodat de wereld geen reden heeft tot hoon, maar tot lof en aangetrokken wordt tot zijn licht.
Om verder te lezen/denken
- Lees Psalm 145 en 146; wat zeggen die psalmen over hoe God is?
- Naast Leviticus 25 vormt ook Exodus 22 een bron voor Nehemia’s reactie. Als je Exodus 22:24-26 leest, zie je dan hoe twee elementen uit die verzen terugkomen in de maatregelen die Nehemia neemt? En wat de onderliggende ‘regel’ is die recht gedaan moet worden?
- Nehemia laat de rijken barmhartigheid bewijzen ten opzichte van de armen (5:11) en hun antwoord is positief: ze zullen de bezittingen teruggeven en niets vorderen. Alle aanwezigen antwoorden met ‘amen’, ze loven de HEER en komen hun belofte na (5:13). Zou dat ook onze reactie zijn geweest?
- In het vervolg van het boek Nehemia blijkt dat, ondanks goede intenties, de teruggekeerde ballingen het toch niet kunnen waarmaken: leven tot getuigenis voor de volken. Wat vind je in dat verband van de lijn naar Jesaja 11:2-4 (let op de zwakken, de armen en het ontzag voor de HEER)?
Miranda Renkema-Hoffman is theologe.




