Als aanraken moet, maar niet mag
- Reportage
- Thema-artikelen
Midden in de coronatijd oefen je een beroep uit, waarbij aanraking noodzakelijk is. Hoe ga je daarmee om als zorgverlener? Zowel praktisch als emotioneel? Hoe pakken de patiënten deze bijna contactloze periode op? Job Kiks en Pieta Kortlever over hun ervaringen met de anderhalvemeterregel.
Job Kiks (21) is fysiotherapeut in het ziekenhuis en werkt met coronapatiënten. ‘Het is niet mogelijk om me in mijn werk te houden aan de anderhalvemeterregel.’ Voor Job is het momenteel een hectische periode. Hij heeft net een eigen huis en is onlangs getrouwd, midden in de coronatijd.
Job werkt in het ziekenhuis op de longafdeling. Job: ‘Aan het begin van de uitbraak van corona moest ik gekleed als marsmannetje. Ik hees mijzelf in een pak met lange mouwen met daarover een schort tot onder de knie. Daarnaast moest ik een speciaal mondmasker en een speciale bril dragen. Om mijn handen zaten twee paar handschoenen. We moesten met allerlei protocollen werken, in het belang van onze veiligheid en die van de patiënten. We konden het ons niet veroorloven om risico’s te nemen. Na elke patiënt kleedde ik mijzelf weer om. Na mijn dienst moest ik ook zo snel mogelijk het ziekenhuis verlaten en mijzelf meteen thuis douchen om besmetting te voorkomen. Dit was best ingrijpend. Het kostte me ook meer energie om te werken.
Daarnaast is persoonlijke hygiëne ook erg belangrijk. Als je alles goed doet, is het risico op besmetting nihil. Met zo’n masker heb je veel minder zuurstof. Je voelt je dan nogal benauwd, zeker als je ook nog moet communiceren en lopen met de patiënten. Het is intensief, zowel fysiek als mentaal. Momenteel moeten we nog steeds in pak, maar wel minder dan voorheen, Het aantal coronapatiënten neemt nu gelukkig af.’
Looprek
Dankzij het werk van Job en zijn collega’s kon iedere patiënt die erg ziek was en het ziekenhuis verlaten heeft, de beweging weer oppakken. Job: ‘Wij zijn gespecialiseerd op het gebied van bewegen. Onze taak is om de spieren van de coronapatiënten in beweging te houden. Als het goed gaat met de ademhaling, kunnen we aan de slag met oefeningen op de bedrand. Met patiënten die al kunnen staan, doen we oefeningen met het looprek of de rollator. Het is erg belangrijk dat de spieren van mensen die in coma liggen, in beweging blijven zodat ze, als ze weer wakker worden, nog soepele gewrichten hebben. Zo lieten we ze passief bewegen door het been te bewegen, door de knie te buigen en de heup te draaien. Ook is het bewegen van de vingers, de nek en de schouders belangrijk.’
Afhankelijk
Het werk van fysiotherapeut geeft Job veel voldoening. ‘Je bent van betekenis voor mensen. Dit is ook mijn voornaamste reden om in de zorg te gaan werken. Je komt dichtbij mensen. Het geloof geeft mij kracht en rust. Ik vind het belangrijk dat mensen zich bij mij op hun gemak voelen en dat ik een bepaalde rust kan overbrengen. Mensen zijn echt van ons afhankelijk. Die anderhalvemeterregel gaat bij ons niet op. We geven mensen in het ziekenhuis dan wel geen hand, maar we raken mensen wel aan. Mensen pakken je hand bij de oefeningen. Wij halen mensen uit bed. Wel letten we heel goed op de hygiëne. We moeten bovendien twee keer per dag onze temperatuur meten. We dragen mondkapjes en worden getest bij elk hoestje of niesje.’
Nabijheid
Het gebeurt ook dat de mensen die Job behandelt later toch komen te overlijden. Job: ‘Het is bijzonder dat ik soms getuige ben van de laatste woorden van mensen die snel zullen overlijden. Het is bijzonder dat ik dan nog de enige ben die contact heeft met een persoon tijdens zijn of haar leven hier op aarde. Dat omkleden vond ik niet erg, dat was ook beter voor mijzelf en ik kon mijn pak achterlaten in het ziekenhuis. Wat ik wel meenam naar huis, was het beeld van de jonge mensen die ik behandelde, met wie ik nog in gesprek was en van wie ik wist dat ze het niet zouden halen. Ik dacht daar ’s avonds in bed nog aan.’
Huwelijk
De coronacrisis heeft Job er niet van weerhouden om in mei, op afstand van iedereen, in het huwelijksbootje te stappen. Job: ‘We hadden het allemaal gepland en woensdag 20 mei 2020 zou onze trouwdag worden. Tot op het laatste moment bleef het spannend of ons huwelijk doorgang kon vinden. We zijn getrouwd in het gemeentehuis en een klein gezelschap van gasten was aanwezig, allemaal op anderhalve meter afstand. Zelfs mijn ouders en grootouders zaten op anderhalve meter afstand van elkaar. Het was een mooie ceremonie. We kregen een toespraak van onze pastor, maar verder was er geen speech, toast en champagne. Volgend jaar hopen we onze bruiloft nog te vieren in de kerk, met een maaltijd. Het was toch echt onze dag, zonder stress.’
Pieta Kortlever (33) is begeleidster van jongeren met een ernstig meervoudige beperking en volwassenen met niet aangeboren hersenletsel. Is de anderhalvemeterregel wel mogelijk in haar werk? Welke impact heeft de coronacrisis op haar werk en tijdens het contact met mensen die zij verzorgt? En welke rol speelt de aanraking?
Pieta werkt parttime bij Syndion, een stichting in de Drechtsteden, Alblasserwaard en het Rivierengebied voor mensen met een verstandelijke en lichamelijke beperking. Syndion biedt dagbesteding, wonen, vakantiedagopvang, gezinsondersteuning en kinderopvang. Daarnaast werkt Pieta als invaller op een woonlocatie voor volwassen met niet-aangeboren hersenletsel.
Zorgverlener
Pieta werkt, sinds ze haar opleiding Sociaal Pedagogisch Werk (SPW) heeft afgerond, al vijftien jaar in de zorg. Pieta: ‘Ik wilde altijd graag werken met mensen. Als flexwerker kom ik bij verschillende mensen op hun eigen locatie. Het contact met mensen is erg belangrijk en ik wil graag zorgen voor anderen. Het werken met jongeren met een ernstig meervoudige beperking vind ik voornamelijk lichamelijk zwaar en het werk met volwassenen met niet-aangeboren hersenletsel vooral mentaal erg zwaar. Je kunt op het ene moment gezond en de volgende dag hulpbehoevend zijn. Dit is erg confronterend. Ik realiseer mij dat dit mijzelf ook kan overkomen.’
Pieta: ‘In het begin van de lockdown kregen we wekelijks een mail met daarin updates en richtlijnen. Dat vond ik zelf wel prettig. In het begin was het namelijk nog onduidelijk wat er nu wel en niet mocht. Daar had ik best veel vragen over. Wat is wijsheid? Bij mezelf merkte ik ook angst om besmet te raken met het coronavirus en dit mogelijk door te geven aan mijn cliënten. Dit gevoel is, naarmate de tijd verstreek, minder geworden. Er waren te weinig beschermingsmiddelen, maar het dragen van mondkapjes zou toch agressie en angst oproepen bij de cliënten. Bovendien was het nog maar de vraag of ze coronabesmetting zouden voorkomen. De mondkapjes zouden binnen no-time door de jongeren met verstandelijke beperking van mijn gezicht af worden getrokken. De handen worden extra vaak gewassen en er is handalcohol.’
Dagbesteding
Tijdens de lockdown waren alle dagcentra gesloten. Vaak wonen de cliënten al in een woonvorm. Vanwege corona blijven mensen nu vaker in hun eigen woning en worden ze niet, zoals voor de lockdown, met de taxi naar de dagbesteding gebracht. De begeleiders bieden nu dagbesteding aan de bewoners van een woongroep van zeven à acht jongeren. Er is dus sprake van dagbesteding aan huis en niet alle cliënten van de dagbestedingsgroep zien elkaar nu. Pieta: ‘Deze situatie biedt wel de nodige uitdaging. Zo moeten de verzorgers en begeleiders opnieuw ontdekken welke cliënten er in de woongroep wonen en welke zorg zij nodig hebben. Het zorgt bij de meeste cliënten wel voor rust, maar er is ook een deel van de bewoners dat agressief is en voor wie het goed zou zijn om in een andere omgeving te zijn. Cliënten zijn elkaar soms zat. Ze zitten nu 24/7 bij elkaar. Ze zijn op elkaar aangewezen. Nu, in de coronatijd, is onze bewegingsruimte in de woongroep voornamelijk beperkt tot wandelen, busritjes, zingen en koken. We maken een smoothie, soep of iets lekkers voor de lunch.’
Knuffel
Pieta merkt dat in haar werk het eigenlijk niet mogelijk is om zich aan de anderhalvemeterregel te houden. Zeker niet met jongeren met zo’n ernstige verstandelijke beperking. Ze zijn 25 tot 35 jaar, maar hebben een geestelijk vermogen van een baby van negen maanden tot een jaar. Pieta: ‘Deze jongeren hebben lichamelijke verzorging nodig en dat is op anderhalve meter afstand onmogelijk. In veel gevallen kunnen zij niet praten en is gesproken taal ook moeilijk voor hen te begrijpen. Dan is aanraking erg belangrijk. Juist in deze periode hebben ze meer behoefte aan een knuffel en een aai over de bol. Ze hebben hun ouders de afgelopen tien weken niet mogen zien en daardoor worden ze aanhankelijker tegenover hun verzorgers en begeleiders. Voor hen ben je een vertrouwd persoon, omdat je er zo vaak bent. Er is een cliënt op de afdeling die doof is en ook blind. Als we hem uit bed halen en verzorgen, kunnen we dus alleen maar contact maken door hem aan te raken. Door op een bepaalde manier op zijn lichaam te tikken, weet hij wat we van hem vragen. Zonder aanraking zou hij gewoon totaal in zijn eigen wereldje blijven en geen idee hebben wat er op dat moment van hem verwacht wordt.’
Bij de zorg voor de volwassen cliënten met niet-aangeboren hersenletsel is de aanraking meer functioneel en gericht op transfers. Pieta: ‘Af en toe leg ik een hand op de schouder. De aanraking is afstandelijker en meer pastoraal. Je kunt hier wel verbaal veel meer aanwezig zijn, sturen, en steun geven.’
Anne-Wil Ruijg-Jens is kunsthistoricus en freelance journalist.





