‘Ten diepste is kwetsbaarheid iets prachtigs’
- Interview
- Ontmoeting
Muzikant, schrijver en spreker Ronald Koops torste jarenlang beschaamd een koffer vol onzekerheden met zich mee. Hij heeft moeten leren die koffer te openen en zijn kwetsbaarheid te tonen. Nu helpt hij anderen hetzelfde te doen. ‘Het is soms gewoon fijn om te zeggen: kak, het lukt me niet.’
Ronald (45): ‘Ik ben de oudste van drie kinderen, uit een vrijgemaakt nest. Ik was een creatief, chaotisch, hooggevoelig én onzeker jongetje. Die onzekerheid is enorm versterkt in de jaren negentig, toen ik tijdens mijn opleiding Levensmiddelentechnologie werd gepest. Het begon doordat ik stotterend bleef hangen in een vraag die ik klassikaal wilde stellen. Ik werd uitgelachen, wat ik als zeer vernederend ervoer. Het plantte een zaadje van diepe afwijzing. Zie je wel, hij was al een sukkel en kan nog niet eens een vraag stellen. Dat was de leugen die ik begon te geloven. Er kwamen steeds meer woorden bij waarover ik struikelde, totdat ik een hele lijst woorden had die ik bewust vermeed. Ik stotterde vooral als ik iets in het openbaar moest zeggen, dus dat heb ik tijdens mijn vervolgopleiding journalistiek nauwelijks gedaan. Ik begon te malen: wat nu als ik later ouderling word en misschien moet preeklezen, dan kan ik het woord ‘collecte’ niet zeggen – hoe red ik me daaruit? Op het dieptepunt kon ik m’n eigen naam niet eens uitspreken.’
Evangelische gast
‘Ik bad vaak: als ik goed voor U ga leven, wilt U het stotteren dan wegnemen? Maar er gebeurde niets, totdat ik cabaretier Herman Boon moest interviewen. Ik zag ertegenop, ik had niets met evangelische mensen. Daarbij zat ik in die periode niet lekker in mijn vel, ik was zwaarmoedig. Al zou de hele mensheid naar de hel lopen, het interesseert me niet, rotwereld, dacht ik weleens. Om me vervolgens schuldig te voelen over het feit dat ik dit als christen kon denken. Na het interview zei Herman opeens: “Nu heb ik nog een vraag voor jou”. Ik antwoordde geschrokken: ”Volgens mij is dat niet de bedoeling”, uiteraard doodsbang de controle te verliezen. “Oké, ik heb maar één vraag”, zei hij. “Ken je Gods liefde eigenlijk wel?”
Evangelische gast, dacht ik, en begon m’n Bijbelkennis te etaleren. “Prachtig”, zei hij, “maar mijn vraag was niet: kun je iets vertellen over Gods liefde, maar: kén je Gods liefde? Weet je dat Hij van je houdt? Voel je dat in je hart?” Toen ik weer bevestigend antwoordde, sprak hij de legendarische woorden: “Ik geloof er geen sikkepit van. Maar ik heb een medicijn voor je, een gebed. Ik wil dat je het opschrijft.” Ietwat overdonderd pakte ik pen en papier. Hij zei: “Schrijf op: Vader, laat me zien hoeveel U van me houdt. En beloof dat je dit een paar keer hardop uitspreekt, op je knieën. Dit is wat je nodig hebt.” Ik kon niets met die taal, maar schreef het toch op.’
‘Evangelische gast, dacht ik,
en begon m’n Bijbelkennis te etaleren’
‘Op een dag was het moment daar. Ik deed alle gordijnen dicht, niemand mocht mij zien, en ik bad het gebed dat ik opgeschreven had. Eigenlijk was ik opgelucht dat er niks gebeurde. Ik kreeg alleen wel ineens de behoefte om piano te spelen, puur voor mezelf. Dat had ik nooit eerder meegemaakt. Ik kreeg het verlangen erbij te zingen en de Bijbel open te doen. Kortom: ik wilde aanbidden, al kende ik dat woord toen niet. In de periode daarna ontmoette ik meerdere mensen die uit het niets zeiden: “Besef je wel dat God van je houdt?” Als ik vroeg waarom ze dat vroegen, reageerden ze in de trant van: ik heb het gevoel dat ik het tegen je moet zeggen. Steeds vaker begon ik voor mezelf piano te spelen, waarbij ik meestal erg emotioneel werd en Gods aanwezigheid voelde. Zo is een soort genezingsproces op gang gekomen.’
‘Hoe ik precies van het stotteren ben afgekomen, weet ik niet. Wel herinner ik me dat ik een lezing gaf over gospelmuziek in de kerk. Heel veilig had ik de lezing uitgeschreven. Op de vragen die gesteld werden, gaf ik heel rustig antwoord, ik was het stotteren spontaan vergeten. In de pauze op het toilet werd ik overvallen door een overwinningsgevoel; voor het eerst van m’n leven lette ik niet continu op m’n woorden! Hoe meer ik Gods liefde ontving, hoe meer ontspannen ik werd en des te gemakkelijker ik sprak. Ik besefte dat ik van stotteren mijn identiteit had gemaakt, maar ik stotterde niet daadwerkelijk, het was vooral angst.’
Stoere mannen
‘Ook al weet en geloof ik: ik ben Gods geliefde kind, ik denk nog steeds weleens: wat zullen anderen van me vinden? Of ik voel een zekere angst voor mensen en prestatiedrang: doe ik het wel goed? Ben ik wel een goede vader, echtgenoot, collega? Op die momenten voed ik me met Gods Woord en proclameer ik: God zorgt voor mij, ik hoef mezelf niet te bewijzen, het is oké. Vechten tegen zulke negatieve gedachten heeft geen zin, loslaten is het enige dat helpt. Ik heb geleerd die zwakte als kracht te zien en ontdekt dat God erdoorheen werkt. Ik heb kwetsbaarheid altijd verkeerd beoordeeld, ten diepste is het iets prachtigs.
Vroeger trok ik me terug als ik belangrijke of stoere mannen ontmoette. Dat is voorbij. Ik zie het zelfs als uitdaging om als gevoelige man met zulke types de diepte in te gaan, om de kwetsbare kanten van het leven met elkaar te delen. Het is soms gewoon fijn om te zeggen: kak, het lukt me niet. In de Bijbel staat: draag elkaars lasten. Dat kan niet als je daar niet open over bent. Dat moet ik zelf ook nog steeds leren. Aan het begin van de coronacrisis had ik het thuis met een vrouw, zes kinderen en werk, even erg pittig. Pas toen ik het echt niet meer trok en ik dat tijdens een prettig gesprek met mijn werkgever niet meer kon en hoefde te verbergen – konden we aan een oplossing werken.’
Wat zou je tegen de Ronald van twintig jaar willen zeggen?
‘Ik zou zeggen: wat ben je een bijzonder en geliefd kind van God, laat je niet zo inpakken door negatieve gedachten. Dat is wat mijn volwassen ik ook weleens tegen mijn onzekere ik zegt. Hoe meer ik bezig ben met wat ik goed kan, hoe minder belangrijk ik het vind wat anderen van me zouden kunnen vinden. Ik onderwijs gemeenten over de plek van muziek in de liturgie. Als er dan vooral kennis gevraagd wordt, steekt faalangst de kop op. Maar als ik kennis mag relateren aan ervaring, als het een avond is vol interactie en ontmoeting, dan floreer ik. Het liefst vertel ik een gemeente dus niet alleen over nieuwe liederen, maar zing ik ze meteen. Laat het maar gebeuren.’
Hoe breng jij de zondagen tijdens de coronacrisis door?
‘Netflixen. Nee, we kijken meestal naar de online dienst van de hervormde gemeente waarvan we een jaar geleden, na onze verhuizing, lid zijn geworden. Ik vind het belangrijk dat de kinderen weten dat het onze gemeente is. We hebben ook een paar keer een gezinsliturgie gemaakt. Iedereen die wilde, mocht een bijdrage leveren. Ik denk dat het me best zal ontroeren als we elkaar weer in de kerk ontmoeten.’
‘Ik was een beetje bang
voor die heilige, grote God’
Je bent onder andere stiltetrainer. Wanneer drong het belang van stilte tot je door?
‘Zo’n tien jaar geleden, toen ik Mirjam van der Vegt interviewde. Zij is stiltetrainer en ik zei, zomaar: “Als je nog een zingende pianist met verstand van techniek zoekt, moeten we eens praten.” De avond ervoor had ze net tegen God gezegd dat ze wilde stoppen, tenzij ze een technische pianist zou vinden. Toen zijn we het stilte-avontuur samen aangegaan en ontstond de stiltetour.’
Is je godsbeeld door de jaren heen veranderd?
‘Zeker. In de vrijgemaakte gemeente waarin ik opgroeide, was de emotionele kant van God wat onderbelicht; er werd weinig over gevoel gesproken, het draaide om goede werken uit dankbaarheid. Ik was een beetje bang voor die heilige, grote God. In die periode las ik dit zinnetje van Adrian Plass: God is aardig en Hij mag mij wel. Dat zette me enorm aan het denken. God aardig? Later is dat, ook door het gesprek met Herman Boon, verdiept tot: God houdt zielsveel van mij en wil dat ik van Hem ga houden. Waarom? Omdat liefde de enige motivatie is om vanuit vrijheid het goede te doen in plaats van: het moet van de kerk. Intussen begrijp ik nog steeds heel veel niet van God, terwijl iets begrijpen mij een gevoel van veiligheid geeft. Maar via de psalmen heb ik ontdekt – nu zeg ik het weer, ik heb niks ontdekt, ik ervaar soms – hoe onmetelijk groot God is. Neem dit bos waar we nu lopen, het geluid van wind door de bladeren. Ik raak onder de indruk van de verfijning van de schepping zonder het te kunnen vatten. Een mooi beeld daarbij lees ik in Psalm 19: de hemel verhaalt van Gods majesteit, het uitspansel roemt het werk van zijn handen.’
Voedselbonnen
‘Ik ben hoofdredacteur van Zien, het magazine van Tot Heil des Volks. De oprichter, Jan de Liefde, vond: we moeten mensen brood geven, maar ook brood voor de ziel. Juist in deze tijd vind ik het zo mooi om de verhalen en geestelijke lessen van de meest kwetsbare mensen door te geven. Die zijn zo diep en waardevol. Zo maakte ik recent een podcast over een ex-verslaafde die veel baat had bij zijn dagbesteding, maar nu vanwege corona thuiszit. Zoiets moeten mensen weten. Na de corona-uitbraak hebben we snel een noodfonds opgericht waarmee we acute nood kunnen ledigen. We hebben vijftienhonderd voedselbonnen uitgedeeld aan arme gezinnen en prostituees, tasjes aan arme kinderen. Zelf geef ik, zodra het kan, weer rondleidingen in Amsterdam: stiltewandelingen waarin we letterlijk stilstaan bij onrecht, inclusief een miniconcert van mijzelf. Dat zijn dan weer die dingen die bij me passen, waardoor de boodschap nog beter overkomt.’
Wilfred Hermans is freelance journalist.





