‘Leven met God is heerlijk, maar ook pijnlijk’
- Interview
- Ontmoeting
Mieke Brink-Blijdorp (66) was de eerste vrouw die afstudeerde aan de TU in Kampen. Ze ervoer het zelf niet als erg indrukwekkend, want ze wilde ‘gewoon’ het onderwijs in. Nu, ruim dertig jaar later, is de weg vrij om alsnog de kansel op te gaan. Maar daar denkt ze niet over. Haar roeping is van een andere aard.
Mieke Brink werd geboren op 8 januari 1954 in Rotterdam. Ze groeide op in Dokkum en Kinderdijk als tweede in een gezin van negen kinderen. Na het behalen van het gymnasiumdiploma in Rotterdam ging ze theologie studeren in Kampen. Dertien jaar lang gaf ze godsdienstlessen aan de Gereformeerde Scholengemeenschap in Rotterdam. Na haar huwelijk met Peter Brink in 1987 verhuisden ze naar Putten, waar twee dochters werden geboren. Ze gaf les aan onder andere de Evangelische Hogeschool en de Opleiding Gereformeerde Godsdienstleraren. Vanaf 2010 geeft ze klassieke talen aan de Guido Scholengemeenschap in Amersfoort, en de laatste jaren ook Bijbels Grieks aan de Theologische Universiteit in Kampen. Sinds 1998 verzorgt ze de dagelijkse meditatie ‘Stilgezet’ in het Nederlands Dagblad.
‘Ik ben geen dominee en heb het ook nooit willen worden. Ik houd van klassieke talen en wilde al van jongs af aan onderwijzer worden. Een docent overtuigde me toentertijd dat ik als godsdienstonderwijzer makkelijker een baan zou kunnen vinden dan als docent klassieke talen – dus koos ik voor theologie. Daarbij ben ik altijd tegen de openstelling van het ambt geweest. Ik ben niet tegen pastorale teams met vrouwen, maar ze moeten wel onder leiding staan van een man. Geef de man de eer van de eindverantwoordelijkheid; dat is Bijbels.’
‘Ik denk niet dat de openstelling terecht is en daar worstel ik wel mee. Is dit het zoveelste bewijs dat we de Bijbel aan het loslaten zijn? Dat vind ik een hele harde; volgens mij mag je alleen een kerk verlaten als Christus niet meer gediend wordt. Ik wil wel heel graag gereformeerd blijven. En daarmee bedoel ik: alleen door de Schrift, alleen door genade, alleen door geloof. Wel vrolijk en vernieuwend gereformeerd. Ik hou niet van een afsplitsing waar het erom gaat dat we alles weer gaan doen zoals we het altijd deden. Dan gaat het niet om het dienen van de Heer, maar om wat ik gewend ben. Als je niet bereid bent om te vernieuwen, ben je ook niet gereformeerd.’
Hoe was het toen uw droom werkelijkheid werd en u voor de klas stond?
‘Dat viel in eerste instantie flink tegen. Ik kon totaal geen orde houden, ik had dat niet geleerd tijdens de opleiding. Dat heb ik later alsnog gedaan tijdens een studie didactiek aan de Universiteit Utrecht. Maar de eerste jaren waren zwaar. Ik ging met buikpijn naar mijn werk en kwam met hoofdpijn terug. Toch had ik steeds het gevoel: dit ís het. Het is prachtig om contact te maken met leerlingen en te zien dat een leerling iets eerst niet snapt en daarna wel. Gaandeweg groeide ik in het vak en nu doe ik waar ik ooit van droomde: klassieke talen doceren. Van godsdienst geven heb ik ook erg genoten. Dan kon ik met een klas serieus aan de slag met de Bijbel, bijvoorbeeld door structureel alle brieven te behandelen. Tegenwoordig doen ze een enkele losse module. Dat leidt tot hap-snap bijbelkennis – daar maak ik me wel eens zorgen over. Natuurlijk gebeuren er andere goede dingen, maar de Bijbel zou toch de basis moeten zijn.’
Ervaart u uw werk als een roeping?
‘Ja. Een roeping waar ik bovendien volledig beschikbaar voor moet zijn – althans, zo dacht ik in het begin. Het was dus erg verwarrend toen ik verliefd werd op Peter. Ik wilde het vriendschappelijk houden en zei dat ook tegen hem; ik was immers getrouwd met m’n baan. Hij ging daarmee akkoord, maar al gauw dacht ik: oh jongens, dit gaat helemaal mis. Het voelde alsof ik op een aardbeving leefde. Ik vocht daarover met God: het was toch niet de bedoeling dat ik zou trouwen? Dan zou ik verdeeld zijn en mijn werk minder goed kunnen doen. In werkelijkheid bleek dit helemaal niet zo te zijn. Peter heeft me juist gestimuleerd op punten waar ik anders was afgehaakt, omdat ik het in mijn eentje niet overzag. Toen we kinderen kregen, ben ik wel even met het onderwijzen gestopt en ging ik schrijven, eerst onderwijsmateriaal en later de rubriek ‘Stilgezet’ in het Nederlands Dagblad. Dat vond en vind ik ook heel leuk om te doen.’
‘Als je niet bereid bent om te vernieuwen,
ben je ook niet gereformeerd’
Wat is dé les die u door de jaren heen heeft geleerd?
‘Dat ik in alles volledig afhankelijk ben van God. Als puber heb ik veel kussens nat getraand, omdat ik me onvolkomen voelde in Gods ogen. Ik wilde zo graag een volmaakt moment zodat ik Hem kon bewijzen dat het geloof voor mij een serieuze zaak was. Maar op een dag kwam ik erachter dat in al dat geworstel Christus nauwelijks een rol speelde. Met mijn berouw probeerde ik God te overtuigen dat het de moeite waard was om mij te vergeven. Ik wist dat ik het niet moest hebben van goede werken, maar in feite deed ik dat dus wel doordat ik een of ander super-berouw probeerde op te hoesten. Dat was een belangrijk leermoment, want het was de eerste keer dat ik voelde dat ik écht in alles afhankelijk ben van God. Ook als het gaat om berouw. Het besef van je eigen zondigheid is wel een centraal thema gebleven in mijn leven.’
Waarom zo’n sterk zondebesef? U bent vast niet extra zondig.
‘Misschien ben ik extra serieus. Als God volmaaktheid wil, dan wil hij geen 98 procent. Nu zou je psychologisch kunnen zeggen dat ik een perfectionist ben en dus nooit tevreden met mezelf. Maar perfectionist of niet, we hebben allemaal te dealen met onze zondige kant. Ik heb misschien wat te veel schuldgevoelens gehad in mijn leven, maar het merendeel is terechte schuld en daar moet verzoening voor zijn. Ik ben dus heel erg blij met die leer van verzoening door voldoening. Als God het alleen maar door de vingers zou zien, dan zou ik altijd bang zijn dat Hij later een keer zegt: “Ik heb het nu zo vaak door de vingers gezien, nu ben ik er klaar mee en wil ik eens een serieuze inzet van je zien.” Want dat krijg je dan: mensen die veel te veel door de vingers zien, ontploffen op een gegeven moment. Dan zit je met andere woorden te wachten op een ontploffende God. Kan die echt van je houden? Hij kan lief doen, maar eigenlijk vindt Hij dat je komt zeuren als je binnenkomt – want zo aardig ben je niet.’
‘Als er in de les geen grapje is gemaakt,
is het niet goed’
Hoe werkt dat zondebesef door in meer concrete zin?
‘Laat ik een voorbeeld noemen. We zitten nu in een coronacrisis en er wordt veel gebeden om genezing – terecht. Maar een christen zou ook moeten bidden: “Here, laat mij mijn schuld zien, mijn eigen bijdrage aan dit wereldwijde probleem. Want het is een ecologisch probleem waar ik onderdeel van ben.” En: “Here, wat geweldig gaaf dat U door zo’n piepklein onzichtbaar virusje de wereld stilzet en ons even laat zien dat het zo dus echt niet verder kan.” Leven met God is heerlijk, maar ook heel pijnlijk. Want Hij vertelt je waar het aan schort.
Na de coronacrisis komt er een economische crisis en ik vraag me af of we die te boven komen. Ik verwacht dat we ongekende tijden krijgen waarin we heel veel moeten afzien en missen. Het zal voor de christengemeenschap een mooie uitdaging worden. Hoe moeilijk het ook wordt, ik heb geleerd dat de Here alles laat meewerken ten goede. Hij leidt alles, tot in de kleine details.’
Er bestaat dus geen toeval of willekeur?
‘Nee. Dat is lastig, want dan zit je ogenblikkelijk met het probleem van het kwaad. Want als God alles in de hand heeft, waarom is het kwaad dan überhaupt in de wereld gekomen? Soms kan het erg dichtbij komen. Een jeugdvriendin van mij is mishandeld door haar man. Waarom heeft God dat niet voorkomen? Ik weet het echt niet. Ik weet alleen dat als ik zeg: “dit kan God niet gedaan hebben”, ik dan bezig ben God naar mijn beeld te maken. Dan denk ik dat God mij net als Job zou oppakken, de schepping zou laten zien en zeggen: “Denk je nou echt dat jij kunt beslissen hoe ik ben?” Het verhaal van Job maakt enerzijds duidelijk dat God boven het kwaad staat en anderzijds dat Hij het wél toelaat. Dat is een probleem waar je als mens niet uitkomt. Intussen zie ik dat die vriendin is uitgegroeid tot een gekneusd, maar prachtig iemand. Dan denk ik ook: God, hoe krijgt u dát voor elkaar?’
Wie is God voor u?
‘Een vader die alle recht heeft om boos te worden, maar zichzelf dat recht heeft ontnomen. Door Christus heeft Hij het zichzelf verboden om ooit nog oude koeien uit de sloot te halen. Ik voel me een kind en niet zozeer een werknemer van God. Al zou ik nooit meer iets doen, nergens meer een zinnige bijdrage aan leveren – dan nog ben ik Gods kind.’
Bent u ook een geliefd kind?
‘Ja, verbazend genoeg wel. Het wonder van Gods grootheid is dat Hij zoveel meer kan liefhebben dan ik. Hij kan zoveel meer zonde zien dan ik, maar Hij kan óók zoveel meer liefhebben. Daarom heeft hij het kruis bedacht. Dus ja, in alles zit liefde en blijdschap. Ook als ik bloedserieus ben – en dat ben ik in dit gesprek misschien wel erg geweest – sta ik op een grond van liefde. Humor is trouwens ook erg belangrijk voor me; jezelf kunnen relativeren en de gein van de dingen in kunnen zien. Dat kan omdat er een glans over alles heen ligt, omdat God het heeft gemaakt. Ik ben niet een treurige ouwe meut ofzo hoor.’
Ik heb nu al een poos die tekst uit Spreuken 9 in mijn hoofd: ‘Dus eet je brood met vreugde, drink met een vrolijk hart je wijn. God ziet alles wat je doet allang met welbehagen aan.’
‘Ja, een erg mooie tekst. Dat staat ook niet haaks op wat ik heb gezegd, want in Christus ben ik gered. Als ik alleen in het zondebesef was blijven hangen, was ik voortdurend angstig geweest. In plaats daarvan kan ik zien: het gebeurt weer, ik probeer het weer zelf, Here doet u het maar. Dat geeft zo’n ontspanning. Dan kun je genieten van kleine dingen en bijvoorbeeld even gek doen tussendoor. Dat heb ik ook altijd in de les willen doen; als er in de les geen grapje is gemaakt, is het niet goed. De vreugde en vrijheid zijn des te groter, juist omdat ik me sterk bewust ben van mijn pijn, ellende en zonde.’
Elze Riemer is godsdienstwetenschapper en journalist.





