‘Mijn geloof is vaak een wangeloof’
- Interview
- Ontmoeting
De rugzak van predikant Gert Zomer (59) zit vol. Toch komt er elke keer weer wat bij. ‘Mensen hebben het dan over de hand van God, maar op sommige momenten is die voor mij gehuld in een bokshandschoen.’ Die moeite met God – daar is in de kerk te weinig aandacht voor, vindt Zomer. De gaten in ons geloof worden daar te makkelijk dichtgesmeerd met makkelijke antwoorden. Terwijl juist in die gaten een christelijk leven gestalte krijgt.
Je vader was net als jij predikant. Ben je daarom ook predikant geworden?
‘Dat was wel de directe aanleiding om theologie te gaan studeren in Kampen. Het was bijna vanzelfsprekend dat ik dat ging doen. Ik ben opgegroeid in een gezin waar de liefde voor de kerk het belangrijkste was. De kerk nam eigenlijk de plek van God in; we hadden het altijd over de kerk, maar niet over God. Als kind was ik trots op mijn vader. Hij was een bekend en gerespecteerd man. Natuurlijk wilde ik in zijn voetsporen treden. Dus ook voor mij draaide lange tijd alles om de kerk. Want als je je daarvoor inzet, dan bén je iemand, ben je pas echt van waarde.’
Daar denk je nu anders over?
‘Het begon bij mij te wringen op het moment dat mijn vader overleed, in 1982. Als predikant stond hij voorop in de kerkstrijd. Dat betekent dat hij al sinds de jaren zestig aan het vechten was, een strijd die wij als gezin meekregen als één op leven en dood. Ik denk dat hij zich in die strijd kapot gevochten heeft, dat alle stress en spanning zijn hart uiteindelijk hebben gebroken – op 56-jarige leeftijd overleed hij aan een aantal hartinfarcten. Tijdens de begrafenisdienst bedankte de voorganger ons als kinderen voor het offer dat wij hadden gebracht voor de kerk, heel theatraal. Op dat moment glom ik, ging ik mee in die sfeer. Pas veel later, in 2000, vroeg mijn supervisor: wat vond je daar nou echt van? En toen ontdekte ik: dat offer dat wij gebracht hebben, is nooit aan ons gevraagd; het is van ons genomen. We hebben onze vader altijd moeten afstaan aan de kerk. De vader ging voor mij meestal schuil achter de dominee.’
‘Ik dacht niet te veel na; lekker leven, genieten, studeren’
Waarom duurde het pas tot 2000 dat je daarover na ging denken?
‘Als theologiestudent kon ik goed om de grote vragen heen fietsen. Ik dacht niet te veel na; lekker leven, genieten, studeren. De wezenlijke vragen duwde ik weg. Aandacht voor geloofservaringen kwam net een beetje op in die tijd en de tendens in mijn omgeving was om dat weg te zetten als subjectivisme. Het ging om het objectieve Woord van God, om feiten en waarheid. Existentiële vragen kwamen pas veel later, rond 2000, toen ik er niet meer omheen kon.’
Wat gebeurde er?
‘Heel veel in korte tijd. Ik had kort in een gemeente gewerkt waar het niet goed ging, waardoor ik er binnen drie jaar alweer weg was. Ik ging vragen stellen: Had God mij niet geroepen om daar te zijn? Wat is roeping eigenlijk? Daarna ging ik als predikant aan de slag in Stadshagen, Zwolle. Een week nadat wij verhuisd waren naar Zwolle kreeg onze zoon een heel ernstig ongeluk, waardoor hij twee dagen in coma lag. Dat was afschuwelijk. Nog meer vragen: Was dit een straf van God omdat we een gemeente in de steek hadden gelaten? Wie is God eigenlijk? Dat was begin januari en eind februari pleegde mijn beste vriend zelfmoord. Een vader van drie kinderen. Dat alles bij elkaar maakte dat ik in een burn-out terechtkwam. Ik ging in gesprek met een psychotherapeut en die stelde nog meer moeilijke vragen, waardoor ik ging nadenken over waar ik nu echt sta, waar mijn hart ligt.’
Waar ligt je hart?
‘Eerst gaat het verhaal nog verder. Kort na het traject kreeg ik een longtumor. Het bleef een poos spannend of die goedaardig of kwaadaardig was. Ik kreeg een zware longoperatie en keek toen echt de dood in de ogen. Uiteindelijk bleek het gelukkig goedaardig te zijn. Daarna, de eerste dag dat ik na mijn operatie weer aan het werk wilde gaan, kregen we het bericht dat onze jongste zoon, toen 6 jaar, diabetes heeft. Dat gaat zo een aantal jaren door. Een andere zoon kreeg uit het niets epileptische aanvallen. Mijn vrouw kreeg de diagnose Parkinson. Afgelopen voorjaar zijn we op vakantie in Barcelona en krijgt zij een hartinfarct. Onze rugzak zit hartstikke vol, maar toch komt er steeds meer bij. Ik begrijp niet waarom. Ik ben wel heel blij dat ik door dit alles heb geleerd om vragen te stellen aan God, om mezelf de ruimte te gunnen het gewoon niet te weten en te begrijpen.’
Gert Zomer is in 2001 begonnen met schilderen. ‘Dat is in mijn ontwikkeling heel bepalend geweest: daardoor heb ik geleerd goed te kijken naar de werkelijkheid. Het heeft mij geholpen serieus te nemen wat ik zie en waarneem.’ (beeld Jaco Klamer)
Wie is God in dit alles voor jou?
‘Toen mijn vrouw een hartinfarct kreeg, zeiden mensen: God was erbij. Dan denk ik: waar dan? Hij keek zeker net even weg op dat moment. Ik kan zo weinig met veel bestaande beelden over God.
Voor alles is God voor mij een mysterie. Ik weet dat dit iets is van deze tijd, maar ik bén ook iemand in deze tijd. Daarnaast geloof ik dat God de schepper is van een prachtige wereld en prachtige mensen, die Hij uiteindelijk zal herstellen. Als laatste krijgt God in Jezus een menselijk gezicht, waarin ik zie dat Hij liefde is. God is daar waar mensen elkaar liefhebben.’
Wat betekent het voor jou om te geloven?
‘Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp, vind ik een heel mooie uitspraak in de Bijbel. Mijn geloof is vaak een ongeloof, een niet-geloven, een wangeloof. Een geloof met gaten, zoals schrijver en columnist Stevo Akkerman dat zo mooi zegt. Ik vind het bevrijdend om God niet overal verantwoordelijk voor te houden en bij te betrekken. Ik denk ook niet dat al die moeite van God komt, maar dat het leven gewoon zo is; moeilijke dingen gebeuren. Als je me vraagt wat het betekent om te geloven moet ik ook denken aan het verhaal in de Bijbel over de bloedvloeiende vrouw die Jezus heel even aanraakt, stiekem. Dan geeft Jezus haar een gigantisch compliment: “Uw geloof heeft u behouden.” Terwijl die stiekeme aanraking bijna niks voorstelde. Geloof is vooral overgave, denk ik, dat je jezelf overgeeft aan iets buiten jou waar je geen grip op hebt.’
‘Onze rugzak zit hartstikke vol, toch komt er steeds meer bij’
En, lukt dat jou?
‘Ja. En dat vind ik best bijzonder gezien alles wat ik heb meegemaakt. Geloven is ook leren leven met vragen die niet beantwoord zullen worden. En dan toch geloven in een God die hierboven staat, die het niet uit de hand laat lopen. Ja, ik ben een zoeker. Belangrijker is dat er een God is die mij ook zoekt. Ik wil geen grote woorden spreken over Godservaringen, het is veel vaker een tastend zoeken naar zijn aanwezigheid. Maar dat Hij er is en ons zoekt, weet ik zeker. Dat is ook de kern van de Bijbelse boodschap. Het begint na de zondevol, wanneer God Adam zoekt. En uiteindelijk stelt God de vraag door Christus heen: waar zijn jullie?’
Het is gaaf om christen te zijn, zei je in een ander interview. Waarom dan?
‘Een christelijk leven is vooral een ontspannen leven. Je bent als christen een leerling, dus je hoeft nog niet volleerd te zijn, er is ruimte om fouten te maken. Tegelijkertijd groei je als leerling wel, en dat is gaaf. Net zoals het gaaf is dat God ons zoekt en gebruikt. Dat je met dat geloof met gaten naast mensen kunt staan. Als je de gebrokenheid serieus neemt, hoef je er ook niet meer tegen te knokken, dan kun je die gewoon nemen zoals die is.’
Is het ook gaaf om in de kerk te zitten?
‘Ik ben teleurgesteld in de kerk, als systeem. Het is een systeem waar, in mijn beleving, vooral antwoorden worden gegeven, zonder serieus stil te staan bij de vragen – terwijl er zo veel vragen zijn! Als luisteraar heb ik zelden het gevoel dat het over mij gaat. Dan wordt er bijvoorbeeld een psalm bij gepakt: “Kijk, er is zeker ruimte voor wanhoop, MAAR… gelukkig wordt aan het eind God toch nog geprezen!” Er wordt te makkelijk gedaan over vragen en pijn die heel ingrijpend en ontwrichtend zijn. En in plaats van goedkope antwoorden, zou ik willen zeggen: laat het er maar gewoon zijn. God zoekt jou toch wel, ook als jij dat niet doet.’
Toch ben je als predikant verbonden aan dat systeem. Waarom haak je niet af?
‘Vanwege al die mensen die net zoals ik gekwetst zijn door dat kerkelijke systeem. Ik merk dat ik met mijn ervaringen en vragen mensen aanspreek die zich eenzaam voelen in de kerk, niet gezien. Dáár ligt mijn hart: bij de mensen die niet gezien worden. Dat betekent ook dat ik me steeds meer buiten de kerkmuren begeef en nu ook pastoraat aanbied aan kerklozen.
‘Geloof is vooral overgave aan iets buiten jou waar je geen grip op hebt’
Uiteindelijk is het predikant zijn mij wel op het lijf geschreven, zo bleek ook uit de loopbaanbegeleiding die ik heb gehad. Ik ben een echt preekdier en ook het pastorale is mij op het lijf geschreven. Maar ik maak me wel ernstige zorgen over de kerk zoals die nu is. Als het zo doorgaat, zal het systeem binnen een paar jaar imploderen, ben ik bang.
Als kerken anticiperen we onvoldoende op ontwikkelingen die zichtbaar worden in het groeiend aantal christenen buiten de kerk. In plaats daarvan steken we veel energie in interne discussies, zoals over de vrouw in het ambt. Zonde van de evangelische energie die God in de kerken stopt! Ik denk wel dat er hoop is, vanwege de vele lokale initiatieven die ik zie. Maar wil die hoop grond onder de voeten krijgen, dan moeten we er radicaal voor kiezen om een kerk zonder muren te zijn.’
Net zoals de psalmist ken je veel tegenslag in je leven. Kun jij God nog prijzen?
‘Ja, maar met minder decibellen. Ik overschreeuw mijzelf niet, geen “met meer passie dan ooit”, zoals dat Opwekkingslied zegt. Misschien prijs ik God door als Jezus naast mensen te staan. Door hun daadwerkelijk aandacht te geven, door écht te luisteren en te zien. Of dat nou een kerkganger is of een dakloze die in de goot zit te poepen.’
Elze Riemer is godsdienstwetenschapper en journalist.



