Column: Belletje lellen
- Column
Elke vrijdagmiddag om vijf voor half drie gaat de bel. Als ik de deur opendoe, staat er niemand. Al minstens drie keer ben ik erin getrapt. En telkens word ik bozer en voel ik me dommer. De 13-, 14-jarige pubertjes op de terugweg van school, aan hun rugzakken te zien, worden brutaler en blijer. Ze fietsen niet eens meer hard weg om ongezien te blijven, maar kijken uitdagend achterom, hard lachend. Ik probeer nonchalant mijn schouders op te halen, maar het liefst zou ik met mijn vuist in de lucht schudden en de taal van premier Rutte in de mond nemen als hij vervelende jongeren tegenkomt.
Het is wachten op het moment dat ze me ultiem kunnen vernederen door een keer voor de deur te blijven staan als ze aangebeld hebben. Als ik opendoe, zullen ze zeggen: ‘Oh sorry, we zijn vergeten weg te fietsen.’ In mijn hoofd oefen ik alvast de preek die ik ze dan zal geven. Daarin komen tot nog toe weinig verheven, laat staan Bijbelse woorden voor, moet ik toegeven.
In mijn hoofd oefen ik alvast de preek die ik ze zal geven
Als het vuur van de frustratie weer wat verzwakt is, bid ik of de heilige Geest zijn vuur in me wil aanwakkeren. Zodat ik ze in de confrontatie – die vroeg of laat komt – zo te woord kan staan dat ze daar iets van Jezus in kunnen herkennen. Ik heb nog geen wijze woorden bedacht. Nog niets om ze te verbazen, laat staan te ontroeren. Verlegenheid, voel ik. En telkens iets meer verlangen. Niet alleen om ze de oren te wassen, maar ook om ze de Weg te wijzen. Daar zitten ze niet op te wachten, dat weet ik zeker.
Hoewel, ze blijven aanbellen, mijn aandacht vragen. Zoals zo veel mensen mijn en wellicht ook uw aandacht vragen. Soms op een negatieve manier. Maar ook dan is het de kunst om iets van Christus te laten zien. Vrijdag krijg ik weer een kans. Ik neem me voor om achter de voordeur klaar te staan.
Eline de Boo is schrijfster met een missionaire roeping.


