Terugblik op een jaar kerk in coronatijd
- Opinie
- Thema-artikelen
Nog even en de coronacrisis duurt een jaar. Hoe kijken we in de kerk terug op deze bijzondere periode? En hoe kijken we vooruit? Marinus de Jong, predikant van de Oosterparkkerk in Amsterdam, zette zijn gedachten erover op papier. ‘Deze pandemie is wel een teken, een herinnering, een concrete hint van God: Ik kom heus wel.’
Op 8 maart 2020 deden we nog wat onbeholpen de handdruk met de elleboog, op zondag 15 maart moesten we de deuren van de Oosterparkkerk sluiten. Daar stonden we achter een geïmproviseerde camera of gewoon alleen met geluid naar woorden te zoeken in een plotseling lege kerk. Als ik mijn eigen gebed van die zondag terugluister, hoor ik de onwennigheid, de ernst en de onzekerheid. Maar ook: we doen dit samen en komen erdoorheen. Zowel kerkenraad als gemeente hadden een proactieve houding. Binnen no time hadden wij een livestream opgezet. Ideeën om verbonden te blijven, schoten als paddenstoelen uit de grond; ouderlingen deden hun belrondjes. De crisis leek zowaar een beetje leuk. Samen in hetzelfde schuitje.
Onrust
De crisis bracht ook innovatie en vernieuwing. Opeens hadden wij een camera. De kwaliteit van de uitzending werd topprioriteit. Een aantal ouderen deed nu toch de stap naar whatsappen en een nieuwe laptop om verbonden te blijven. Deze vernieuwing trok ook nieuwe mensen: door de lage drempel van een stream raakten gasten verbonden en werden de trouwste kijkers. Toen de kerken tegen de zomer langzaam weer mensen mochten ontvangen, gaf dat weer energie: hoe combineren we camera en live-aanwezigheid? Hoe geven we iedereen de kans om te komen? In september huurden wij een grote rooms-katholieke kerk in Amsterdam waar we met zijn allen konden samenkomen: een prachtig moment.
Maar ook een soort onrust maakte zich van mij meester. Een gevoel van: nu komt het erop aan. Allerlei – ten diepste hoogmoedige – gedachten over een heldenrol voor de kerk in crisistijd. Citaten van kerkvaders, van Luther en van Bonhoeffer, zwierven over het internet en spookten door mijn hoofd. Los van de schrik van de crisis zelf, was dit misschien wel de meest vermoeiende. Het idee dat er van alles moest en wel nu.
Teleurstellingen
Na deze onrust kwamen de eerste teleurstellingen. Want die dertig plekken in de kerk raakten niet zomaar vol. Ook het aantal kijkers was niet stabiel. Ik vond dat als voorganger best lastig. Je bent druk om er het beste van te maken. Je bent heel blij dat er weer dertig mogen komen. Dan komen ze niet! Wordt het ooit weer zoals het was?
Dat was vooral het gevoel van de kerkenraad. Iedereen was druk om zelf een weg te vinden door de crisis en alle onzekerheid. Sommigen bleven angstig thuis, anderen vonden het lastig om de gewoonte van de zondagochtend weer op te pakken of gewoon niet de moeite waard: op afstand van elkaar, zonder koffiedrinken, zonder zingen.
De eerste stemmen preekten wat de kerk uit deze crisis leren kon. Dit was een kans. Een kans om in kringen te gaan werken. Een kans om technologie te omarmen, om het liturgisch helemaal anders te doen. Een radicale kerkherziening. Nu alles op het spel staat: nu kan het!
‘Doe je werk en ga slapen’
Tegelijk was er ook druk vanuit de samenleving op de kerk. Vanwege de grondwettelijke vrijheid voor kerken ontstond een ‘zij-mogen-meer-dan-wij-gevoel’, met name doordat sommige kerken op de Biblebelt met honderden bij elkaar bleven komen. Kerken lagen onder een vergrootglas. Er leken maar twee reacties mogelijk: het braafste jongetje van de klas of burgerlijk ongehoorzaam.
En de sociale cohesie? Als relatief kleine en hechte kerk kunnen wij de onderlinge verbondenheid nog wel aardig vasthouden. Bij collega’s uit grotere, meer volkskerkelijke contexten is de crisis nu al een zichtbare versneller van de kerkverlating. Voor sommigen aan de rand is de doorbreking van de zondagse kerkgang een laatste duwtje de kerk uit. In een grote gemeenschap is het bovendien veel moeilijker om je gezien en verbonden te voelen.
Kaal
Bij de tweede golf in het najaar begon het echt te drukken. Steeds weer een stap terug en inmiddels is de kerkdienst nog kaler dan in de eerste golf, want ook live muziek wordt afgeraden. De solidariteit in de samenleving ebt weg en dat voelen we ook in de kerk. Het omzien naar elkaar wordt stroperiger en de energie voor nieuw initiatief ebt weg. Iedereen voelt: het is nu een kwestie van lange adem. Niemand weet hoe lang dit nog gaat duren, of het weer wordt zoals het was? Moeten we dat trouwens wel willen?
Hoe nu verder? Een aantal elementen is belangrijk om als kerk vast te houden zolang deze crisis nog duurt. Met onderstaande drie zoek ik een middenweg tussen een aantal uitersten die ik om me heen zie: doen alsof er geen crisis is en doorgaan zoals eerst, alleen dan online; of de crisis aangrijpen en het roer helemaal omgooien. Het ene uiterste is de conservatieve reflex, het andere de progressieve.
1. Houd vast en slaap
Hierboven beschreef ik al even de onrust aan het begin van de crisis. Het is de oude gedachte dat je als leider van een kerk zelf de kerk moet redden. Maar Christus leidt zijn kerk, niet jij. Dus wind je niet op, doe je werk en ga slapen. Bedenk wat je roeping is als kerk en richt je daarop: God en elkaar liefhebben. Dat is een kompas in de crisis. Dat doe je zo goed en zo kwaad als het gaat.
Verander dus niet radicaal allerlei dingen. Zoals George Harinck begin januari in zijn column in het ND verwoordde: ‘Juist nu is er behoefte vast te houden aan wat we gewend waren.’ Hij laat zien dat het in de Tweede Wereldoorlog net zo ging: nu zou alles anders gaan, de oorlog is een kans. Maar veel van die verandering kwam helemaal niet. Juist in een crisis is er ook behoefte aan vastigheid. Juist nu zijn de woorden ‘Onze hulp is in de naam van de Heer, die hemel en aarde gemaakte heeft’ troostend. Ze spreken des te dieper, omdat ze vertrouwd zijn. Ook het kerkelijk jaar voelde niet eerder zo troostrijk en dat gaat onverstoord door: vastentijd, Pasen, Pinksteren, advent, Kerst. Dat is een beetje als het ‘nochtans’ van Habakuk 3:18: ‘Nochtans zal ik juichen voor JHWH.’ Of als de psalmen die steen en been klagen, maar dan toch, nochtans, eindigen met de lof op God. ‘JHWH zal ik loven zolang ik leef, zijn lof bezingen zolang ik besta’ (Psalm 146:2). Die vastigheid biedt houvast in een tijd waarin alles wankelt. Wandel bewust op de weg die God je wijst. Houd je ogen open, dan zie je dat je ook veel zijwegen kunt bewandelen. Een ander, misschien jij. Maar onthoud, Jezus trekt de kerk door deze crisis heen.
2. Klaag, bid en vast
Helemaal aan het begin van de crisis deed Tom Wright een oproep in de New York Times. Hij waarschuwde dat je deze crisis niet te snel een oordeel van God moest noemen, een test of wat dan ook. Veel meer, zei hij, is deze crisis een tijd om te klagen. Hij wees daarbij naar het boek van de psalmen, waarin veel wordt geklaagd. Ik las dat toen instemmend.
Maar toch liet ik het niet echt binnenkomen. Ik stond nog te veel in een soort adrenalinemodus. Pas nu de crisis langer duurt, voel ik de klacht dieper. Ook durf ik die in de liturgie een volle plek te geven. Bij het begin van de tweede lockdown begon ik de dienst met een klaaglied gevolgd door een klaaggebed. Deze crisis is ook een kwestie van volhouden. Dat is natuurlijk helemaal niet sexy. Hoeveel lekkerder is het om vol bravoure over hoop en kansen te preken. Maar het is ook doodvermoeiend. De Bijbel geeft nadrukkelijk stem aan beide: de klacht en de hoop. Ik klaag meer in mijn gebed, ook op de kansel, en ik benoem ook meer Gods oordeel, zij het voorzichtig. Als God de geschiedenis leidt en ik Hem dank voor al het mooie, dan moet ik toch ook in het moeilijke zijn hand zien?
Een christen wanhoopt nooit, wat er ook gebeurt
Juist deze crisis opende mij de ogen voor hoe vaak de Bijbel (ook het Nieuwe Testament) spreekt van Gods oordeel in de geschiedenis. Dit is dan juist in het Nieuwe Testament volop eschatologisch. Als deze pandemie door christenen niet wordt gezien als een teken, wat dan wel? Het hoeft niet nu bijna te gebeuren, maar het is wel een concrete hint van God: Ik kom heus wel. Ook in rampspoed ben Ik nog altijd de voorzienige God. De reactie van Gods volk in zulke omstandigheden was altijd: bekering, bidden en vasten. De komende vastentijd is daarvoor een uitgelezen moment. Laat de crisis ons als kerken uitnodigen tot gebed en bezinning. Geen fatalistisch conservatisme, geen hijgerige innovatie. Maar rustige bezinning, gebed en bekering.
3. Hoop en innoveer
Een kerk zonder hoop is geen kerk. Aan het begin van de crisis was opeens de boodschap van de kerk relevant. Iedereen smachtte naar hoop. Juist met Pasen, in de derde lockdownweek, was dat een prachtige boodschap. Ik ben hem blijven herhalen, het hele jaar door. Een christen wanhoopt nooit, wat er ook gebeurt. Er is immers meer dan deze wereld en de dingen die voorbijgaan. Er gaat van alles rond: eindtijdprofetieën, complotten. Breng daarbij de beroemde uitspraak van Luther eens in gedachten: ‘Ook al wist ik dat Christus morgen terugkomt, dan nog plantte ik vandaag een boom.’ Dat is de houding van hoop. Dus een reden tot wanhoop is er voor een christen nooit.
Bij hoop hoort energie en innovatie. Het is belangrijk om de rust te bewaren en dingen herkenbaar te houden. Maar je kunt ook hierin overdrijven. We zitten in een nieuwe werkelijkheid. Zonder te profeteren over straks, moet die nieuwe werkelijkheid wel worden meegenomen. Ik zie kerken die letterlijk kerkdiensten houden zoals het altijd ging. Maar dat is vreemd, want het is niet net als eerst. De situatie vraagt om creativiteit. Meer in kleine groepen, innovatief gebruik van techniek. Zo hebben wij tijdens elke dienst een publiek toegankelijke chatapp openstaan waarop volop wordt gedeeld tijdens de dienst. De dienst is herkenbaar, maar beknopter, inclusief de preek. Ik hoor van zoomsessies na de dienst, samenkomen in kringen, filmpjes van gemeenteleden. Onze oudste zuster wilde nooit aan de laptop, maar nu staat hij er dan toch en ze zit elke zondag voor de stream. Pure winst natuurlijk.
De crisis is nog niet voorbij. Voor definitief terugblikken is het nog te vroeg. Het lijkt de goede kant op te gaan, maar de onzekerheid blijft groot. Hoe zal het de kerk vergaan als we de crisis langzaam achter ons laten? We weten het niet. Ik hoop op een bepaalde manier dat de kerk de draad ‘gewoon’ weer oppakt, zich nog meer bewust van de kracht van het evangelie dat haar is toevertrouwd, van de noodzaak van de hoop waarvan ze spreekt. Dat we meer dan ooit beseffen hoe kostbaar het is om samen te komen en wat een bemoediging het is om samen te zingen. Dat we intens genieten van even verloren alleen staan tussen koffieleutende broers en zussen. Om dan te worden aangesproken door die ene in wie je net geen zin had. Ik hoop geleerd te hebben dat ook wij, rijke ongenaakbare westerlingen, kwetsbare mensjes zijn die verwaaien als kaf in de wind. Dat onze zekerheden schijnzekerheden zijn. Ik hoop dat ik het zicht niet verlies op de kracht van het evangelie in moeilijke tijden. Dat ik niet vergeet dat het einde komt. Dat deze wereld met z’n skipistes, stranden en lattes en met virussen, slopende ziektes en economische malaise voorbijgaat. Dat Gods koninkrijk, zijn nieuwe wereld, spoedig komt.
Wat leer je in deze crisis? Wat doet het met je geloof?
Welke van de drie genoemde elementen herken je bij jezelf? Waarin zou je kunnen groeien?
Leestip: N.T. Wright, God en de pandemie. Een theologische reflectie op het coronavirus en wat volgt. Utrecht (Kokboekencentrum), 2020.
Dr. Marinus de Jong, universitair hoofddocent systematische theologie aan de Theologische Universiteit Utrecht. Hij is ook hoofdredacteur van Onderweg.




