Een beetje kerk is inclusief
- Opinie
- Thema-artikelen
Inclusie hoort bij kerk zijn, daar is geen twijfel over mogelijk. Iedereen hoort erbij. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Al decennialang worstelen kerk en maatschappij met dit thema. 1 Korintiërs 12 leert waar inclusie werkelijk om gaat: het herkennen van Gods gaven aan zijn gemeente.
Voor in de kerk staan drie jongeren. Vandaag doen ze geloofsbelijdenis. De kerk zit barstensvol. We zijn getuigen van een bijzonder moment, een keuze voor het leven. De dominee stelt vragen en legt handen op.
Eerst is Johan aan de beurt. In hem herken ik mijzelf. Weloverwogen, maar aarzelend en met nerveuze stem zegt hij nauwelijks hoorbaar: ‘Ja.’ Na het ontvangen van de zegen staat hij wat onhandig op en gaat gauw weer tussen de anderen staan. Hij weet niet waar hij kijken moet. Dan is het de beurt aan Marijke. Met een stem als een klok en een gelukzalige glimlach zegt ze: ‘JA!’ Als ze de zegen heeft ontvangen van de dominee, staat ze op en voelt aan haar haar: wat gebeurde daar? Waarom zat ‘ie aan m’n haar? Kun je die zegen nog ergens voelen zitten? Ze valt in de armen van Henk, die straks aan de beurt is. Henk geeft haar een dikke knuffel. De mensen om mij heen zijn vertederd. Ze glimlachen en zeggen: ‘Aààh.’
Je zou het bovenstaande als een schoolvoorbeeld van inclusief kerk zijn kunnen zien. Marijke en Henk hebben namelijk het syndroom van Down. Dat had ik nog niet genoemd en het doet er eigenlijk ook niet toe in dit verhaal. Inclusief kerk zijn betekent dat we met elkaar bewust ruimte maken, zodat iedereen kan meedoen in de kerk en zich daar thuis voelt.
Dat klinkt als een mooi ideaal, maar de werkelijkheid is ingewikkelder. In de eerste plaats: Marijke, Henk en Johan mogen dan van elkaar verschillen, ze lijken toch vooral op elkaar. Ze zijn alle drie nogal menselijk. En dat betekent dat Marijke en Henk net als Johan vaak genoeg chagrijnig zijn en geen zin hebben om mee te doen. Marijke en Henk zijn dus geen ideale kerkleden of superchristenen. Die bestaan überhaupt niet.
‘Ze’ zijn niet altijd vrolijk of liever dan anderen, ‘ze’ zijn ook niet minderwaardig of zielig
Ten tweede: door hun belijdenis horen Marijke en Henk er helemaal bij. Ze hebben toegang tot het avondmaal gekregen en verschillen op papier in niets van Johan. Zou iedereen in de kerk doorhebben wat dat betekent? Wat als Henk of Marijke graag op tal wil worden gezet voor ouderling? En trouwens: er komen ook mensen in de kerk die geen belijdenis hebben gedaan en voor wie catechisatie in de klassieke zin van het woord niet mogelijk is. Waar leggen we de grens voor hun lidmaatschap?
Op deze problemen wil ik in dit artikel ingaan. Hoe kijken we in de kerk naar mensen met een beperking? En wat zijn de grenzen van de kerk? Die zijn er namelijk wel degelijk: bewust en onbewust, terecht en ten onrechte. We kunnen pas begrijpen wat inclusie betekent als we ons bewust zijn van onze exclusies: wie houden we allemaal buiten de deur en waarom?
Protest
Eerst die eerste vraag: welke plek hebben mensen met een beperking eigenlijk in onze kerken en hoe zat dat vroeger? In de samenleving werd lang gedacht vanuit een medisch paradigma: een beperking is vergelijkbaar met andere aandoeningen en moet behandeld worden. Mensen met een verstandelijke beperking werden vaak ver van de maatschappij verpleegd in ziekenhuizen waar ook psychiatrische patiënten verbleven.
Vanaf de jaren zeventig veranderde dit. De nadruk kwam te liggen op ontwikkeling in plaats van behandeling of verpleging. Er werden instellingen opgericht voor zogenoemde zwakzinnigenzorg, los van de psychiatrie, maar nog altijd op afstand van de samenleving. Vanaf de jaren tachtig kwam hiertegen steeds meer protest en dus werden er vanaf de jaren negentig speciale woongroepen opgezet, waardoor mensen met een beperking in woonwijken kwamen wonen. Dit wordt wel het integratiemodel genoemd.
Ook op dit model is veel kritiek gegeven; integratie gaat namelijk niet vanzelf. Soms ervaren andere wijkbewoners overlast of kunnen mensen met een beperking niet goed omgaan met alle prikkels van de wijk waarin zij wonen. Het inclusieve denken vraagt aandacht voor dit soort problemen: een huis aanpassen en op een bepaalde plek zetten maakt nog niet dat er als vanzelf goede contacten ontstaan. Daarvoor is meer begeleiding nodig, zowel van de mensen met een beperking als van hun wijkgenoten. Die wederkerige beweging is kenmerkend voor inclusief denken: het gaat niet om het aanpassen van de ene groep aan de andere (integratie), maar om een nieuwe manier van samenleven, waarin beiden zich thuis voelen (inclusie).
Het blijft kennelijk heel lastig om mensen met een beperking in de eerste plaats als gelijken te zien. (beeld Denis Kuvaev/Shutterstock)
Gevaar
In de kerken werd de maatschappelijke beweging van de afgelopen decennia grotendeels gevolgd. Rond de jaren zeventig verscheen veel literatuur over kerk en handicap, waarin het thema op de kaart werd gezet. In die tijd werd binnen de GKv ook de vereniging Dit Koningskind opgezet (1973). Al eerder was in bredere christelijke kring de stichting Philadelphia opgericht (1956), waarin ouders van kinderen met een beperking zich hadden verenigd.
Door de jaren heen kwamen er, vaak beginnend op particulier initiatief, speciale catechesegroepen voor mensen met een beperking en ook aangepaste kerkdiensten. Deze diensten pasten helemaal in het integratiemodel. Er ontstond dan ook een deputaatschap integratie binnen de GKv (DEPIN).
De laatste jaren zie je in christelijk Nederland een verschuiving naar meer inclusief denken. Toen DEPIN in 2008 ophield te bestaan, formuleerde het als toekomstvisie dat het begrip integratie plaats moet maken voor het begrip inclusie, omdat door het integratiedenken het gevaar bestaat dat mensen met een beperking alleen goed genoeg bevonden worden als zij zich binnen de kaders van de ‘normale’ gemeente bewegen. Hiermee zouden mensen met een beperking niet in hun eigenheid geaccepteerd worden, maar juist gemarginaliseerd worden.
Ondanks al het goede werk dat gedaan is en wordt gedaan vanuit een integratieperspectief, is het gevaar dat DEPIN signaleerde niet denkbeeldig. De geschiedenis – ook die van de kerk – laat zien dat mensen met een beperking keer op keer naar de rand gedreven zijn, of dat nu gebeurde door hen op een voetstuk te plaatsen of door hen te miskennen. Het eerste dreigt bijvoorbeeld als je aan de haal gaat met Henri Nouwens beschrijvingen van zijn vriendschap met Adam en als je van mensen met een beperking halve heiligen maakt. Het tweede zit diep in onze traditie: Luther sprak over iemand met een beperking als een ‘klomp vlees zonder ziel’ en vond het nog het best zulke mensen te doden. Hij stond daar niet alleen in.
Het blijft kennelijk heel lastig om Johan, Henk en Marijke in de eerste plaats als gelijken te zien en pas in tweede instantie als drie verschillende mensen met verschillende persoonlijke behoeften. ‘Ze’ zijn niet altijd vrolijk of liever dan anderen, ‘ze’ zijn ook niet minderwaardig of zielig. ‘Ze’ zijn net als ‘wij’. Dat is waar inclusief denken over gaat, hoe lastig het ook is.
Nicea
De plek van mensen met een beperking in de kerk en de samenleving is dus ingewikkeld. Dat maakt inclusief kerk zijn uitdagend. Daar komt nog een tweede moeilijkheid bij: als het hoofddoel van inclusief denken is dat we iedereen accepteren in zijn of haar eigenheid, waar ligt dan de grens?
Vaak zijn we ons niet eens zo bewust van de grenzen van de kerk. Sommige grenzen zijn goed verdedigbaar, andere komen op uit onze onderbuik. Sommige grenzen zijn duidelijk vastgelegd in kerkordes en andere afspraken, andere grenzen zijn onuitgesproken. Vraag jezelf maar eens af of jouw kerkelijke gemeente een afspiegeling vormt van de maatschappij. Waarschijnlijk niet. Voor bepaalde groepen is de kerk categorisch ontoegankelijk. Dat is niet alleen vervelend voor die groepen, het is problematisch voor de kerk als geheel.
Voor bepaalde groepen is de kerk categorisch ontoegankelijk
De kerk is namelijk één, heilig, katholiek (of algemeen) en apostolisch, zegt de geloofsbelijdenis van Nicea. Als we het hebben over inclusief kerk zijn, hebben we ten diepste te maken met een spanning tussen twee van deze kenmerken: de katholiciteit en de heiligheid. Katholiciteit betekent dat de kerk zo wijd als de wereld moet zijn. Sociale, economische of etnische verschillen mogen in de kerk nooit reden zijn om iemand buiten te sluiten. De heiligheid houdt vervolgens in dat niet alles zomaar kan.
Wil een kerk echt kerk zijn, dan is het van belang dat beide polen ontwikkeld worden en dat de spanning tussen beide niet wordt gladgestreken. Anders houd je een kerk over die zo bang is om haar heiligheid te verliezen dat alles wat maar een beetje verdacht ruikt buiten de deur gehouden wordt: hier is alleen plaats voor keurige burgermannen en -vrouwen die de boel mentaal, fysiek en financieel op een rijtje hebben. Of je eindigt in een kerk waar uit angst om mensen voor het hoofd te stoten nooit meer een duidelijke oproep vanuit het evangelie klinkt.
Profetisch
Inclusief kerk zijn is dus niet vanzelfsprekend. De geschiedenis laat zien dat het voor de hand ligt om bepaalde groepen buiten te sluiten. Ook onze visie op wat de kerk is houdt in dat er grenzen zijn: niet alles kan zomaar in de kerk. Toch is inclusie een belangrijk thema, dat al in het Nieuwe Testament naar voren komt.
De meest geciteerde passage als het gaat om inclusie is 1 Korintiërs 12:12-26, waar Paulus spreekt over de gemeente als een lichaam. Je kunt met die passage alle kanten op, bijvoorbeeld door veel nadruk te leggen op de verscheidenheid in het lichaam of je juist te richten op de gelijkgestemdheid die noodzakelijk is. Daarmee kun je dus alsnog in een spagaat terechtkomen tussen de beide polen van katholiciteit en heiligheid.
Er is echter nog een andere manier om deze passage te lezen. Het gaat Paulus niet in de eerste plaats om de lichaamsdelen en of zij wel of niet in de pas lopen, het gaat hem om God. Vers 18 is wat dat betreft het centrale vers: ‘God heeft nu eenmaal alle lichaamsdelen hun eigen plaats gegeven, precies zoals Hij dat wilde.’ De verzen 12-26 maken deel uit van een grotere passage waarin Paulus stilstaat bij de charismata, de gaven van de Geest waarmee God de gemeente opbouwt. Christelijke inclusiviteit is dus niet bedoeld om ‘iets goeds te doen’ voor mensen die anders nergens bij horen. Het gaat erom dat we Gods gaven aan zijn gemeente herkennen.
Je kunt met een beroep op 1 Korintiërs 12 zeggen dat we mensen met een beperking een plek moeten bieden omdat zij de ‘zwakke leden van ons lichaam’ zijn. En op een bepaalde manier klopt dat ook: mensen met een beperking hebben vaak extra ondersteuning nodig. Maar het gevaar bestaat dat je daarmee in je achterhoofd blijft denken: en toch was het makkelijker als ze er niet waren. Dat is een grote en helaas wijdverspreide leugen.
God heeft iedereen een plaats gegeven. En dan geen plaats op de tribune, waar hij of zij netjes stil moet zitten, maar een onmisbare plaats in het lichaam, met gaven die we moeten ontdekken. Daarvan wordt het lichaam als geheel sterker, juist in een wereld waarin niet naar God gekeken wordt.
Mensen met een beperking kunnen een profetische rol vervullen. Niet omdat zij van zichzelf zo uitzonderlijk zijn, maar omdat God hen net als anderen versiert met gaven. Als de gemeente de plek is waar dat wordt erkend, versterkt dat het profetische geluid van de kerk als geheel.
In de gemeente herkennen we dat de knuffel van Henk waar ik dit artikel mee begon inderdaad het enige gepaste antwoord is op Marijkes belijdenis. Henk doet wat Johan niet kan en helpt daarmee de hele gemeente in te zien hoe belangrijk dit moment is. En doordat Marijke na het ontvangen van de zegen aan haar haren voelt, bedenk ik opeens hoe weinig onze lichamen eigenlijk meedoen in de kerkdienst. Als er dan eindelijk wat gebeurt, een hand op een hoofd, dan moet er wel iets heel speciaals aan de hand zijn. Wat gebeurt er eigenlijk wanneer je de zegen ontvangt? Een belangrijke vraag, die je zomaar over het hoofd zou kunnen zien. Dit is niet ongepast of raar, maar precies op zijn plek. De plek die God bepaald heeft (1 Korintiërs 12:18).
In de kerk kijken we niet naar wat om ons heen geldt als succesvol en voornaam. Hier wordt niet geoordeeld naar de maatstaven van deze wereld (2 Korintiërs 5:16). In de kerk kijken we naar God en de plek die Hij ons geeft. Ondanks de lastige kanten is inclusief kerk zijn dus van levensbelang, niet alleen voor Henk en Marijke, maar ook voor Johan, Koos en al die anderen.
Webtips
www.ditkoningskind.nl
www.sien.nlLeestips
- Hoewel mensen met een beperking geen halve heiligen zijn, is het boekje Adam van Henri Nouwen nog altijd een prachtig getuigenis van een ontmoeting tussen twee mensen die op één of andere manier een ontmoeting met Jezus zelf blijkt te zijn.
- Het recent vertaalde Zalig de zachtmoedigen van Jean Vanier en Stanley Hauerwas schetst de gedroomde plek van mensen met een beperking in kerk en maatschappij.
- De boeken Zo gewoon mogelijk en Vademecum voor een inclusieve kerk van Johan Smit bieden handvatten voor wie in zijn of haar eigen gemeente aan de slag wil met inclusie. Van en voor allen, onder de redactie van Herman Meininger, brengt hierbij verdieping aan.
- De achtergronden over de plek van mensen met een beperking in de kerken zijn onder meer beschreven in Sociale integratie in de geloofsgemeenschap van Johan Smit en Geloven in inclusie, geredigeerd door Anneloes Steglich-Lentz en Jos van Loon.
- Het boek Disability in the Christian Tradition, geredigeerd door Brian Brock en John Swinton, biedt een diepgaand Engelstalig overzicht van de manier waarop in de christelijke traditie (van de eerste eeuwen tot vandaag de dag) over handicaps gesproken is.
- Meer over de grenzen van de kerk en de spanningen die de verschillende polen van kerk zijn kunnen opleveren is onder meer te vinden in Het goed recht van de kerk van Leo Koffeman.
- In het (Engelstalige) artikel ‘Theologizing Inclusion’ beschrijft Brian Brock hoe een goede lezing van 1 Korintiërs 12 bijdraagt aan inclusief denken (gepubliceerd in het Journal of Religion, Disability & Health).
Koos Tamminga is predikant van de Kruiskerk in Meppel.



