Autonomie versus afhankelijkheid
- Opinie
- Thema-artikelen
Autonomie lijkt het adagium voor mensen in de 21ste eeuw. Zelf bepalen hoe je je leven leeft, dat is een hoog goed. Gelovigen hoeven dat niet direct af te wijzen, schrijft Bert Loonstra. Tegelijkertijd knaagt te veel autonomie aan onze overgave en gehoorzaamheid aan God. Leven we als gelovigen niet onder de zeggenschap van onze Heer?
Marianne houdt veel van Peter, maar durft het niet aan om trouwplannen te maken. Ze voelt zich onzeker. Ze ziet tegen alle veranderingen op. Haar oude, overzichtelijke leven moet ze opgeven. Er komt veel nieuws. Hoe zal het gaan? Ze is bang voor het onbekende. Helpt het misschien als ze eerst met hem gaat samenwonen? Dan kunnen ze kijken hoe het gaat. En als ze zich er niet prettig bij voelt, kunnen ze altijd nog hun conclusies trekken. Maar dan zo dat ze niet al haar schepen achter zich verbrandt. Laat hij eerst maar een poosje bij haar intrekken.
Dit artikel gaat niet over huwen of ongehuwd samenwonen, het gaat over autonomie. Het voorbeeld van Marianne en Peter illustreert hoeveel verwarring er kan bestaan in het denken over autonomie.
Aan de ene kant is er positieve waardering voor autonomie, vooral vanuit het oogpunt van ons functioneren in de maatschappij. Het feit dat Marianne het niet aandurft om trouwplannen te maken omdat ze de veranderingen vreest, is geen goed teken. Het zou weleens een aanwijzing kunnen zijn dat ze het in het algemeen moeilijk vindt om krachtige besluiten te nemen en keuzes te maken, en dat ze een al te afhankelijke persoonlijkheid heeft.
Onze maatschappij zit gecompliceerd in elkaar. Op allerlei terreinen wordt van je verwacht dat je zelfbewust je weg gaat en je eigen lijn volgt. Lang niet altijd kunnen anderen je advies geven. Hun leven is weer anders samengesteld, met andere mensen, andere verwachtingen en andere vereisten. We zijn zo ver geïndividualiseerd dat we op onszelf aangewezen zijn. Dat vraagt om autonome keuzes. Je ‘ik-sterkte’ moet op peil zijn. Een ander kan jouw afwegingen niet maken. Dat is de ene kant: een positieve waardering voor autonomie op basis van de eisen van onze samenleving. Dat vormt ook een belangrijke doelstelling in de geestelijke gezondheidszorg.
Aan de andere kant wordt autonomie met argwaan en afwijzing bejegend. Dat gebeurt vanouds in de geloofsgemeenschap. Autonomie betekent letterlijk: zelf de wet stellen, zelf uitmaken volgens welke regels je wilt leven. Dat komt om de hoek kijken in Mariannes overweging om te gaan samenwonen voordat ze een definitief besluit neemt. Impliciet stelt ze daarmee voor zichzelf als regel dat ongehuwd samenwonen als proefperiode oké is. Dat is niet zoals de kerk er altijd over heeft gedacht. De beoordeling van samenwonen wordt weliswaar toenemend genuanceerd, maar duidelijk is dat God de relatie van man en vrouw heeft bedoeld als een relatie voor het leven, waarin ‘trouw’ met hoofdletters wordt geschreven.
Ook christenen handelen alsof hun subjectieve welbevinden de maat is van de dingen
In de gemeente van Christus geldt niet de regel dat iedereen zelf moet weten hoe hij of zij het leven inricht, maar dat God ons de weg van het goede leven wijst. Geen autonomie, maar heteronomie. Dat betekent: een Ander stelt ons de wet, de leefregel. Er is een norm die van buiten ons komt en voor ons maatgevend is.
Twee verschillende benaderingen van autonomie. De ene zegt: autonomie is goed, de andere: autonomie is fout. En van allebei kun je zeggen: daar zit wel iets in. Hoe moeten wij omgaan met het thema autonomie?
Overlap
In het voorjaar heb ik een proefschrift verdedigd waarin de verschillende benaderingen van autonomie een hoofdrol vervullen. Het gaat over levensbeschouwing en psychotherapie. Hoe kan psychotherapie, die veelal uit is op de versterking van persoonlijke autonomie, ten goede komen aan mensen die vanuit hun levensbeschouwing een autoriteit boven zich aanvaarden die hun de weg door het leven wijst?
Even heb ik gedacht dat het geen werkelijk probleem is. Je zou immers kunnen zeggen dat het begrip autonomie in twee verschillende contexten voorkomt en twee verschillende betekenissen heeft. In de eerste betekenis gaat het om rationele en emotionele autonomie: je hebt voldoende vaardigheden om je eigen leven op orde te houden en de moed om je eigen mening te vormen, te verdedigen en ernaar te leven. De andere betekenis heeft te maken met de erkenning van een moreel gezag buiten en boven jezelf. Noem het psychische autonomie versus morele autonomie. Psychische autonomie is goed, morele autonomie minder goed.
Regels zijn alleen gelegitimeerd als ze aantoonbaar voortvloeien uit het evangelie
Toch is hiermee de kous niet af. Er zit namelijk een overlap tussen die twee betekenissen van autonomie. In autonomie zit altijd de notie van opkomen voor jezelf. Als psychische autonomie voor Marianne betekent dat ze niet bang is om nieuwe stappen in het leven te zetten, dan betekent dat toch bijna automatisch dat ze zich niet laat intimideren door eventuele kritiek uit de gemeente op haar voornemen om voorlopig te gaan samenwonen? De vraag blijft of dat verenigbaar is met de grondhouding van overgave, je in vertrouwen laten leiden door een hoger gezag.
Is opkomen voor jezelf niet zodanig gericht op je eigenbelang dat er een spanning ontstaat met dienstbaarheid, zelfverloochening en het zoeken van het belang van anderen, zoals dat met name in het christelijk geloof wordt geleerd? Komt het individu hier niet tegenover de gemeenschap te staan? Bijten de psychische autonomie en de in het geloof beleden heteronomie elkaar niet? Dat is de probleemstelling waar ik een antwoord op heb gezocht.
Eigen waarheid
Hoe heeft het zo ver kunnen komen dat hier een spanning wordt ervaren? Daarvoor moeten we ver terug in de geschiedenis, naar het einde van de middeleeuwen en de overgang naar de nieuwe tijd, de moderne tijd.
Van de Canadese cultuurfilosoof Charles Taylor heb ik geleerd dat er een ontwikkeling is geweest naar een steeds grotere individualiteit, waarin de subjectieve beleving steeds meer in het centrum kwam te staan. Niet dat het belang van individuele verantwoordelijkheid in de oude tijden ontbrak, maar tot aan het einde van de middeleeuwen verstonden mensen zichzelf als klein onderdeel van de grote kosmos, met God aan het hoofd. Vanaf die tijd kwam daar steeds meer verandering in.
De kerk zou er wijs aan doen om zich met beleid te beroepen op gezag en met begrip ruimte te geven aan menselijke autonomie. Een beroep op gezag zou altijd gepaard moeten gaan met een verantwoording. (beeld Evlakhov Valeriy/Shutterstock)
Het subject is het centrum geworden van waaruit de omringende wereld wordt geobserveerd, geïnterpreteerd, gewaardeerd en gecontroleerd. Er wordt wel gesproken van de moderne wending naar het subject. En nu in het postmodernisme het geloof ook nog wegslijt in de rede, dreigt subjectiviteit te ontaarden in subjectivisme: ieder heeft zijn of haar eigen waarheid.
Als zo het primaat aan het subject wordt verleend, wordt daarmee de bedding gevormd voor het autonomiedenken. Niet alleen in de zin van psychische autonomie, maar ook van morele autonomie. Dat betekent niet dat mensen allemaal echt zo autonoom zijn. In werkelijkheid doen we veel dingen onder druk van de publieke opinie. We vinden het belangrijk hoe anderen over ons denken. Maar autonomie geldt wel als ideaal, als het summum van zelfverwerkelijking.
Christenen onttrekken zich daar niet aan. Christenen zijn bijvoorbeeld geen lid van een gemeente omdat ze daarin door de doop zijn ingelijfd – vanuit de hogere orde van God dus, als deeltje van het grote geheel – maar ze zijn lid omdat ze voor die gemeente gekozen hebben. En ze hebben ervoor gekozen omdat ze vinden dat die het beste bij hen past. Ze handelen dus alsof hun subjectieve welbevinden de maat is van de dingen. Voor Marianne betekent dit dat het haar goed lijkt om voorlopig met Peter te gaan samenwonen, omdat dit voor haar goed voelt.
Vrijwillig
Morele autonomie kan als geldende waarde in onze samenleving niet meer worden ontkend, ook niet in de kerk. Daar staat tegenover dat we het principe van autonomie niet kritiekloos kunnen accepteren. We leven als gelovigen toch onder de zeggenschap van onze Heer? Dat betekent dat we ons aan Hem onderwerpen en Hem de richting van ons leven laten bepalen. Leven in geloof is leven in gehoorzaamheid. Hoe kunnen de erkenning en de begrenzing van het autonomiebesef worden gecombineerd?
Het is best urgent dat dat gebeurt. Als we mensen domweg bekritiseren in hun autonomiegevoel, voelen ze zich onbegrepen, afgewezen en niet serieus genomen. Tegelijkertijd: als hun autonomie te veel ruimte krijgt, verdwijnt het karakter van geloof als gehoorzaamheid. God wordt ondergeschikt gemaakt aan onze behoeften en idealen, en dat kan de bedoeling niet zijn.
Om autonomiebesef zijn juiste plaats te geven, is het goed te bedenken dat het mondige individu ook in het Nieuwe Testament een belangrijke plaats inneemt. Gelovigen zijn geen slaven, maar kinderen. Ze zijn niet onderworpen aan allerlei regels met dreiging van straf (Galaten 4), maar streven naar en bidden om helder inzicht en fijngevoeligheid om zelf te onderscheiden waar het op aankomt (Filippenzen 1:9).
Hoe zit het dan met de erkenning van God als Heer over hun leven? Dat is geen gedwongen onderwerping, maar vrijwillige overgave aan zijn gezag. Ongetwijfeld was het autonomiegevoel ten tijde van het Nieuwe Testament niet op dezelfde wijze ontwikkeld als in onze postmoderne tijd. Het ging nooit om het individu op zichzelf als hoogste beslisinstantie, maar altijd om het individu opgenomen in een groter geheel. Maar toch zijn er aanknopingspunten om het huidige autonome zelfgevoel te verbinden met noties die gekoppeld zijn aan het evangelie.
Het feit dat het individu in het Nieuwe Testament altijd is opgenomen in een groter geheel, wijst ons de richting voor een begrenzing van de ruimte voor autonomie. Een mens leeft namelijk nooit louter en alleen als individu. Iedereen maakt deel uit van grotere gemeenschappen: familie, vriendenkring, vereniging, werkkring, beroepsgroep, buurt, stad, land, kerk. Die gemeenschappen worden bijeengehouden door gedeelde visies op het leven. Die visies hebben een zekere normatieve kracht en deze normativiteit wordt in stand gehouden met een zeker gezag. Besturen, identificatiefiguren en opvoeders bewaken deze normativiteit. Daar gaat een zeker gezag van uit, waaraan de leden van de groep zich onderwerpen. Wie de gemeenschappelijke normen en waarden niet meer deelt, stelt zich buiten de gemeenschap. Deel uitmaken van een groep betekent dus altijd dat je je min of meer onderwerpt aan de groepscode. Dat is een vorm van heteronomie.
Er is wel een verschil tussen vroeger en nu. Traditionele gemeenschappen waren (en zijn) bindender dan moderne gemeenschappen. Je kon (kunt) je er minder gemakkelijk aan onttrekken. Tegenwoordig is aansluiting bij een groep veel meer een persoonlijke keuze die voor een (on)bepaalde tijd wordt aangegaan. De kerken merken daarvan de gevolgen. Het spreekt niet meer vanzelf dat gedoopte kinderen zich later moreel verplicht voelen om zich aan de kerk van hun doop te blijven binden. Mensen stappen gemakkelijker over naar een andere gemeenschap als het hun niet zint.
Diskwalificeren
Wat betekent deze verandering in het levensbesef van mensen voor de kerk? De kerk zou er wijs aan doen om zich met beleid te beroepen op gezag en met begrip ruimte te geven aan menselijke autonomie. Een beroep op gezag zou altijd gepaard moeten gaan met een verantwoording waarom het belangrijk is dat de leden zich op een bepaald punt conformeren aan een gangbare norm.
De regels mogen geen voorwaarde vormen om mee te doen en te delen in de zegeningen van het evangelie. Dan worden ze tot een wet die de genade beperkt. Regels zijn alleen gelegitimeerd als ze aantoonbaar voortvloeien uit het evangelie. Pas dan kan er een appèl mee gedaan worden op mensen. Idealiter hoeft dan ook geen sanctie opgelegd worden. Dat zou een inherent gevolg moeten zijn van onevangelisch gedrag. Denk aan het isolement dat je over jezelf afroept als je je onnodig onttrekt aan de gezamenlijke activiteiten.
Wat betekent dit voor de manier van omgaan met Marianne? We schieten er niet veel mee op om haar te diskwalificeren als zij op proef gaat samenwonen. Voor haar onzekerheid kan begrip worden getoond. Ze zou geholpen kunnen zijn met psychologische hulpverlening. En wat haar voornemen betreft, zou in gesprekken met geduld gewezen moeten worden op de betekenis van trouw. Wanneer je als partners niet zeker van elkaar kunt zijn, kan er geen veilige relatie worden ontwikkeld. Het risico bestaat dan dat haar onzekerheid alleen maar groter wordt. In het evangelie gaat het niet om de beperking van haar vrijheid, maar om haar houvast en haar welzijn.
Webtips
- www.izb.nl
De website van de IZB, vereniging voor zending in Nederland, bevat meerdere artikelen rond het thema autonomie en afhankelijk. Surf naar de homepage en zoek op ‘autonomie’.- www.aciweb.nl/artikelen/artikel-794.html
Een interview met Hans Schaeffer over zijn proefschrift Createdness and Ethics, waarin hij ook ingaat op autonomie.- Het laatste nummer van het blad Psyche en Geloof van de vereniging CVPPP is geheel gewijd aan het proefschrift dat Bert Loonstra over autonomie en afhankelijkheid schreef. Losse nummers zijn aan te vragen bij de vereniging: www.cvppp.nl.
Leestips
Ronald W. Richardson, Werken aan een gezonde gemeente, Ouderkerk aan den IJssel (Ekklesia), 2002. Richardson past inzichten uit de systeemtherapie toe op de gemeente en leert daarbij veel over autonomie.
Michelle van Dusseldorp, Ik kan veranderen. Elf stappen naar innerlijke heling en groei, Amsterdam (Buijten en Schipperheijn), 2011.
Timon Ramaker, Vrij om te kiezen. Keuzes maken in een mediacultuur, Zoetermeer (Boekencentrum), 2011.
Hans Groeneboer, Als jij en ik wij worden, Houten (’t Gulden Boek), 2006. Een boek over autonomie in relaties.
Kees Roest, Niets moet, alles mag. Praktische handleiding voor gezond denken en zelfvertrouwen, Zoetermeer (Boekencentrum), 2015. Een zelfhulpboek om de eigen autonomie te versterken.
Carianne Ros, Jij bent waardevol. Over eigenwaarde en zelfbeeld, Amsterdam (Ark Media), 2016.
Bert Loonstra is predikant van de CGK Gouda.



