In memoriam Berend Wesseling (1925-2016)

Jan Wesseling | 8 juli 2016
  • Achtergrond
  • In memoriam

Op 26 juni overleed GKv-predikant Berend Wesseling, 91 jaar oud. Een in memoriam van zijn zoon Jan Wesseling.

Berend Wesseling (1925-2016).

Berend Wesseling (1925-2016).

‘Mooi, hè?’ Hij haalde met enige moeite zijn arm onder het laken vandaan en stak zijn duim omhoog. Mijn zus had net nogmaals Psalm 100 met hem gelezen. ‘Erkent, dat de HERE God is (…) Hem behoren wij toe (…) Gaat met een loflied zijn poorten binnen (…) want de HERE is goed (…) zijn trouw tot in verre geslachten’ (NBG-vertaling 1951). In het ziekenhuis had hij een paar dagen ervoor de verpleegkundige gevraagd ook die psalm te lezen. Voldoende herstel na de operatie aan z’n gebroken heup bleef uit, slikken wilde niet meer en mijn vader voelde zijn sterven naderen. ‘Je hoeft het leven ook niet eindeloos te rekken’, zei hij vaak.

Oorlog

Zijn aardse leven begint in Rotterdam-Delfshaven. Zijn ouders Pieter Wesseling en Berber Snijder zijn daarheen verhuisd vanuit Sint Annaparochie (Fr.) en via Wildervank. Zijn vader is er leraar Duits op de kweekschool (nu pabo).

In Rotterdam maakt hij het begin van de Tweede Wereldoorlog mee. De overvliegende jagers, de bombardementen, huilende en bebloede mensen: het komt heel dichtbij. In maart 1944 overlijdt zijn moeder na een slopende ziekte. Een paar maanden later krijgt zijn vader een beroerte.

In november 1944 vindt in Rotterdam de grootste razzia plaats uit de oorlog. Zijn zus zegt dat hij en zijn broer zich moeten melden, omdat ze bang is dat hun vader anders de spanningen niet aankan. Hij wordt te werk gesteld, eerst in Noord-Duitsland en later in de omgeving van München. Het kamp van wagons is smerig, het voedsel en de behandeling zijn slecht. Daardoor loopt hij dysenterie op. Op z’n laatste krachten ziet hij kans naar een naburig dorpje te lopen, waar een vrouw hem regelmatig goed eten geeft. Zo wordt zijn leven gered.

Beangstigende momenten zijn er wel. Op een dag zit er een Duitse legerofficier in de woonkamer van deze zorgzame vrouw. Zijn uren lijken geteld. Maar de officier doet niets. Achteraf blijkt dat hij wel wist dat Duitsland aan het verliezen was.

Als de arbeiders uit het wagonkamp bevrijd worden, geeft een Amerikaan mijn vader de opdracht om de kampcommandant dood te schieten. Hij weigert. Hij wil het recht niet krom buigen en weigert persoonlijke wraakneming.

Bij alle ontberingen en angst raakt hij toch onder de indruk van het prachtige uitzicht op de bergen van Zuid-Duitsland, met onder meer de Zugspitze. Psalm 121 deed hem hier altijd aan denken. Bij zijn begrafenis hebben we die psalm ook gezongen, anders dan ooit tevoren.

Deze oorlogsjaren hebben hem gevormd, ook voor zijn predikantschap, zo gaf mijn vader aan.

Studie

Na de oorlog gaat hij rechten studeren in Leiden. Hij leert mijn moeder kennen, ook afkomstig uit Delfshaven en dochter van een zeeman. Haar vader had die vijf gevaarlijke oorlogsjaren noodgedwongen in de haven van Londen en in konvooien op de oceaan doorgebracht. Haar moeder probeerde in hartje Rotterdam met haar vijf kinderen de oorlog te overleven. In 1948 verloven ze zich. Ze zullen pas zeven jaar later, in 1955, trouwen.

Mijn vader besluit om na zijn kandidaats met de rechtenstudie te stoppen en theologie te gaan studeren. Hij kan het voor zijn geweten niet verantwoorden om het onrecht of de misdaad te verdedigen. Nadat zijn vader in 1950 overlijdt, betalen zijn broers en zussen zijn studie. Broer Rindert hield nauwkeurig bij wie wat betaald had.

Zeker in de kerk mocht je het recht niet krom buigen
‘Geen tweeërlei weegsteen’, schreef hij in die jaren

Vier dagen na hun huwelijk, op 6 februari 1955, wordt mijn vader bevestigd als dienaar van het Woord in zijn eerste gemeenten: Smilde en Diever. In eerste instantie heeft hij nog geen rijbewijs, dus doet hij veel op de fiets. Eén van de kinderen wordt geboren op een zondagmiddag, terwijl mijn vader in Diever op de preekstoel staat.

Breed hadden we het als gezin niet. Zoals velen in die tijd hadden we geen fatsoenlijk toilet en geen douche, gebruikten we water van de pomp en gingen we in een teil voor de kolenhaard ‘in bad’. Een auto huurde mijn vader of gemeenteleden reden hem.

Kerkstrijd

In het najaar van 1966 werd mijn vader predikant van Rotterdam-Charlois. Het waren de jaren van de Open Brief. Onder de ondertekenaars zaten heel wat studie- en jaargenoten van mijn vader. Hij kende ze te goed om zomaar mee te gaan in een algehele veroordeling. Niet dat hij het met de brief eens was, maar naar zijn stellige mening moest je altijd eerst hoor- en wederhoor toepassen voordat je als kerkelijke instantie een oordeel mocht uitspreken. Zeker in de kerk mocht je het recht niet krom buigen. ‘Geen tweeërlei weegsteen’, schreef hij in die jaren.

Hij weigerde ook vanaf de preekstoel een algemene veroordeling uit te spreken, iets wat de kerkenraad wel van hem eiste. Voor de kerkenraad was dat reden genoeg om hem vanwege ‘scheurmakerij’ in 1972 te schorsen. Dat gebeurde overigens zonder de vereiste medewerking van de naburige kerkenraad. De classis oordeelde dan ook dat de schorsing diende te worden teruggenomen.

Ik herinner me uit die jaren vooral de ratelende typemachine
op de studeerkamer van mijn vader

De kerkenraad gaf daaraan wel gehoor, maar ging tegelijk in appèl bij de Particuliere Synode en gaf naar mijn vader aan dat ze ervan uitgingen dat hij ‘voorshands’ zijn ambtelijke werkzaamheden niet zou hervatten. Een lange, kerkelijke weg volgde, tot aan de generale synodes van 1975 en 1978 toe. Uiteindelijk werd de schorsing als onrechtmatig en mijn vader als confessioneel betrouwbaar bestempeld.

Ik herinner me uit die jaren vooral de ratelende typemachine op de studeerkamer van mijn vader en de verhitte gesprekken in vrienden- en familiekring. Zeker die familie verschafte ons in die jaren een oase van ontspanning en verbondenheid. De vakanties in Den Helder zijn voor ons onvergetelijk.

Het waren onze tienerjaren. Met name de vier opgroeiende jongens in het gezin hadden ondertussen meer aandacht voor voetballen dan voor kerkelijke sores. Wij keken ook wel met enige verbazing naar wat daar allemaal gebeurde. En met humor: we maakten er vaak grappen over, om het zo allemaal te relativeren.

In de loop der jaren werd de verhouding tussen de kerkenraad en mijn vader onwerkbaar. Een losmaking volgde in 1975. Op de preekstoel in eigen gemeente mocht mijn vader niet meer voorgaan, maar hij preekte ondertussen in het hele land. Voor ons betekende dat vaak dat mijn vader zaterdagmiddag met het openbaar vervoer vertrok naar het hoge noorden en pas maandagmorgen weer thuiskwam. Tijdens de autoloze zondagen van 1973 kreeg mijn vader als ‘geestelijke’ een ontheffing, alleen hadden we nog steeds geen auto. De ontheffing werd gebruikt om vervoer door gemeenteleden uit de regio mogelijk te maken.

Noardburgum

Mijn moeder fietste al die jaren met haar vijf ‘kuikens’ trouw elke zondag naar de naburige kerk van Rotterdam-Zuid, waar we een warm welkom kregen. Avondmaal vieren mocht zij tot haar verdriet niet. Maar kerkelijke loyaliteit hebben we van huis uit meegekregen.

Mijn vader was gehecht aan trouw en recht. Ook tegen de verdrukking in. Dat ook in de kerk het recht krom gebogen kon worden, was voor hem onverdraaglijk. Daarmee maakte hij het zichzelf niet gemakkelijk. Maar zijn omgeving ook niet altijd. Hij hield de ander daarbij niet altijd even goed in beeld en kon nog weleens op z’n eigen denklijn blijven zitten. Tegelijk weerhield dat hem er ook van om zich aan de kerken te onttrekken. Meermalen werd dat hem als bevrijdend alternatief aangeraden. Maar hij wilde confessioneel trouw blijven aan de kerken die hij lief had, en dan liever onder onrecht lijden dan zelf onrecht doen.

De Rotterdamse periode had hem en mijn moeder wel verwond. Tegen de achtergrond van de latere ontwikkelingen kwamen ze ook in een wrang licht te staan. Het beroep dat in 1978 vanuit Noardburgum in Friesland kwam, was daarom een weldaad. In de Burgumse tijd hebben ze hun hart weer kunnen ophalen. Het warme welkom, de hartelijke verdraagzaamheid en de ruimte om weer gewoon als dienaar van het Woord te mogen functioneren, waren balsem voor de gekwetste zielen van onze ouders.

Heiligdom

Aan het ambtswerk van mijn vader heb ik als zoon betrekkelijk weinig herinneringen. Anderhalf jaar kreeg ik van hem catechisate. Eén ding daarvan probeer ik nog steeds aan mijn catechisanten mee te geven. Wij moesten in het catechismusantwoord over de vergeving van onze zonden drie woorden onderstrepen: God wil nooit meer denken aan al mijn zonden, en ook niet aan mijn zondige aard.

Preken herinneren is lastig. Ik was 14 toen de schorsing inging en hoorde mijn vader al die jaren niet preken. Toen hij weer als gemeentepredikant aan de slag ging, was ik al uit huis.

Mijn vader zat vaak gebogen aan zijn oeroude tafel onder het licht van een schemerlamp. Hij was bezig het Woord van God tot op de tittel en jota nauwkeurig uit te pluizen.

Mijn vader zat vaak gebogen aan zijn oeroude tafel onder het licht van een schemerlamp. Hij was bezig het Woord van God tot op de tittel en jota nauwkeurig uit te pluizen.

Twee teksten komen wel boven drijven. De eerste uit het slot van Hebreeën 12 (was het de tekst van zijn laatste afscheidspreek?): ‘Nog eenmaal zal Ik niet slechts de aarde, maar ook de hemel doen beven. Dit: nog eenmaal, doelt op een verandering der wankele dingen als van iets, dat slechts geschapen is, opdat blijve, wat niet wankel is. Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehagelijke wijze met eerbied en ontzag.’ En uit Romeinen 12: ‘Weest blij in de hoop, geduldig in de verdrukking, volhardend in het gebed.’ Twee teksten die hem als mens en als gelovige typeren.

Zijn studeerkamer was een soort heiligdom. Na zijn sterven nog steeds. Alleen is de ziel er nu uit. Maar de geur van zijn boeken is er nog. Evenals de pennen en een vergrootglas op tafel. Mijn vader zat vaak gebogen aan zijn oeroude tafel onder het licht van een schemerlamp. Hij was bezig het Woord van God tot op de tittel en jota nauwkeurig uit te pluizen. Dat deed hij tot het laatst toe, ondanks zijn beperkte gezichtsvermogen. Als je onverwacht binnenkwam, kon hij zomaar Hebreeuws aan het lezen zijn. Hij murmelde dan, om de woorden van God te verinnerlijken. Dat hoorde je terug in zijn preken, begreep ik: niets van uiterlijk vertoon, maar iemand die je liet delen in wat hij had gevonden: dit zegt de Here en dit heeft dat ons te zeggen.

Toen hij weer aan de slag mocht in Noardburgum, gaven we als kinderen een bijbel aan hem. Voorin hadden we de tekst van Efeziërs 3:20-21 geschreven: ‘Hem nu, die blijkens de kracht, welke in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid!’

Het is ook de tekst geworden voor de samenkomst bij zijn begrafenis. Die onvoorstelbare kracht van God is zichtbaar geworden in mijn vaders leven: in de oorlogsjaren, in de tijd van kerkstrijd, in de perioden van herstel en tijdens zijn emeritaat.

Mijn vader had een enorm Godsvertrouwen. Tot op het laatste moment was er geen spoor van twijfel dat wat God doet welgedaan is. Toen hij zijn naderend sterven had aanvaard, was zijn uitzien naar de heerlijkheid bij God bijna tastbaar aanwezig. Hij was daarin voor ons als kinderen en kleinkinderen een prachtig voorbeeld.

Zes uur voor zijn sterven nam hij Psalm 100 tot zich. ‘Erkent, dat de HERE God is (…) Hem behoren wij toe (…) Gaat met een loflied zijn poorten binnen (…) want de HERE is goed (…) zijn trouw tot in verre geslachten.’ Hij stak zijn duim omhoog: ‘Mooi, hè?’

Moge God in zijn kracht bewaren wat in zijn leven niet wankel was en dankzij Jezus Christus eeuwigheidswaarde heeft.

Meest gelezen

Frans Korpershoek: ‘Ik ben gaan omarmen wie ik ben’

Frans Korpershoek: ‘Ik ben gaan omarmen wie ik ben’

Wilfred Hermans
  • Achtergrond
  • Interview
  • Ontmoeting

Kijk je hem diep in het hart, dan is Frans Korpershoek een ondernemende wereldverbeteraar. In Maassluis en omstreken staat hij bekend als de oprichter van een goedlopende kringloopwinkel, al kent christelijk Nederland hem vooral als zanger van Sela. ‘Ik voel me nog steeds geen geweldige zanger, maar ik weet wel dat ik een boodschap goed kan overbrengen.’

Lees artikel
In memoriam Bart van Veen (1965-2016)

In memoriam Bart van Veen (1965-2016)

Robert Roth
  • Achtergrond
  • In memoriam

Op 1 mei overleed GKv-predikant Bart van Veen, 51 jaar oud. Hij was al geruime tijd ernstig ziek. Collega-predikant Robert Roth blikt terug op zijn leven.

Lees artikel
‘Een homo is meer dan zijn seksuele verlangens’

‘Een homo is meer dan zijn seksuele verlangens’

OnderWeg
  • Achtergrond
  • Interview
  • Thema-artikelen

Wolter Rose weet al sinds de jaren tachtig dat hij homo is. ‘Overtuigd door het evangelie van Christus’ koos hij voor een celibatair levenspad. En lange tijd was dat in de gereformeerde wereld de geëigende route, maar het tij keert. ‘Vroeger had je wat uit te leggen als je als homo een relatie aanging, nu ben ik degene die wat uit te leggen heeft.’

Lees artikel
‘Ik ben verdrietig, maar ik ga niet verdrietig door het leven’

‘Ik ben verdrietig, maar ik ga niet verdrietig door het leven’

Sjoerd Wielenga
  • Achtergrond
  • Interview
  • Ontmoeting

Vorig jaar december overleed Hettie, de vrouw van Jaap Ophoff, predikant in Zwolle. Nu, een jaar later, vertelt hij over eten dat niet meer smaakte, huilbuien en worstelen met God. En over de hond, want die rouwt mee. ‘De hele roedel is uit elkaar gespat.’

Lees artikel

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief