Het bevrijde lichaam in sport, spel en dans
- Opinie
- Thema-artikelen
De wederopstanding van het vlees bepaalt ons bij onze lichamelijkheid. Zijn we ons ervan bewust dat ook onze lichamen door het verlossende werk van Christus bevrijd zijn? Welk verband is er tussen schoonheid en heiligheid zoals dit in de dans naar voren kan komen? Ik hoop dat je na het lezen van dit artikel ernaar verlangt om je lichaam mee te nemen naar de kerk: om het in Gods dienst te stellen. Christus heeft immers ook ons lichaam bevrijd om er de Vader eer mee te bewijzen.
Met Pasen vieren wij de lichamelijke opstanding van Christus. Deze lichamelijke opstanding heeft diepe betekenis voor iedere christen. De Heidelbergse Catechismus zegt dat de opstanding van Christus voor ons een onderpand is van onze opstanding in heerlijkheid. En diezelfde Catechismus wijst er in haar eerste zondag op dat niet alleen onze ziel, maar ook ons lichaam het eigendom is van Jezus Christus.
Dat ons lichaam voor Christus van waarde is, blijkt niet alleen bij het paasfeest, maar ook bij het pinksterfeest, als de Geest van Christus wordt uitgestort over alle vlees. Dat heeft zijn uitwerking op zonen en dochters, ouderen en jongeren, dienaren en dienaressen (Handelingen 2:8-18). Als het gaat over de waarde van ons lichaam voor God is een andere belangwekkende Bijbeltekst Romeinen 12:1, waar Paulus ons aanspoort om ons lichaam in dienst van God te stellen.
Verheerlijking
In een gereformeerde theologie moet het lichaam dus volop meedoen. Toch kun je er ook in doorslaan. Dat risico loopt bijvoorbeeld de stroming van het gespierde christendom van Muscular Christianity. In deze stroming wordt zo veel nadruk gelegd op het lichaam dat het gaat lijken alsof iedere christen dagelijks in de sportschool te vinden moet zijn, alsof spierkracht een bewijs van geloof is. Daarmee komen de zieken, ouden van dagen en lichamelijk beperkten op de tweede rang te staan. Muscular Christianity overdrijft het belang van het lichaam.
Tegenover deze verheerlijking van het lichaam staat het dualisme. Dat betrekt de verlossing vooral of alleen op de ziel en op het geestelijk leven. Zo raakt het lichaam buiten beeld of wordt het lichaam veracht in ascese.
Om een evenwicht te bewaren tussen de verheerlijking en de verachting of negatie van het lichaam is het nodig om te bedenken dat beide, lichaam en ziel, voorwerp van de verlossing zijn. Het lichaam is geschapen door God en het zal herschapen worden tot Gods eer.
Troost
Het is een heerlijke gedachte dat onze lichamen voorwerp van de verlossing door Christus zijn en dat we een verheerlijkt lichaam mogen ontvangen.
De twintigste-eeuwse Duitse ethicus Helmut Thielicke voert in zijn Theologische Ethik hierover een uitgebreid betoog. Hij stelt dat we zo graag naar de uitvoering van een danser kijken, omdat deze met zijn lichaam als het ware de zwaartekracht overwint en daarmee de gevolgen van de zondeval haast tenietdoet. De neergebogen mens richt zijn naar beneden getrokken lijf op en heerst weer soeverein over de natuur, zoals het oorspronkelijk bedoeld was.
Juist dat schijnbaar moeiteloze
herinnert aan het paradijs
In deze visie zit dit waardevolle element dat wij in die ene uitmuntende atleet het vermogen van de mensheid als geheel gedemonstreerd zien. Usain Bolt en Daphne Schippers laten zien waar het menselijk lichaam toe in staat is. Zij stralen de kracht en het vermogen van het menselijk lichaam uit. Ondanks de zondeval kan de mens binnen 10 seconden de 100 meter lopen. Dat is troost.
Natuurlijk zijn ook de meest geweldige atleten aan de zonde onderworpen, maar hun prestaties vormen als het ware een herinnering aan de staat der rechtheid. De staat waarin het menselijk lichaam soeverein en vermogend tegenover de elementen van de natuur stond. In die zin bevatten hun prestaties troost voor de mens die door de zonde in het lichamelijke kunnen beperkt is.
Paradijs
Ook de balletdansers, acrobaten en kunstschaatsers die de sierlijkheid van het menselijk lichaam demonstreren bieden op deze manier troost door hun prestaties. Volgens Thielicke is juist het geveinsde gemak waarmee zij hun lichaam in moeilijke posities dwingen typerend. Ze voeren hun kunststuk op met een gezicht dat uitstraalt dat het moeiteloos gaat, terwijl het ze zeer veel moeite kost en veel trainingsarbeid heeft gevraagd. Juist dat schijnbaar moeiteloze herinnert aan het paradijs.
Dat geeft troost aan mensen met een statische kantoorbaan of die juist zware lichamelijke arbeid verrichten, aan wie lijdt aan obesitas of reuma, en aan stijve harken en motorisch zwakken. Die dansers realiseren de mogelijkheden die wij onderweg jammerlijk hebben verloren, maar die we in potentie als mensheid van onze schepper hebben ontvangen. Aan deze gaven van de schepper worden wij door hun dans herinnerd. Hun artistieke en atletische prestaties laten even de verlossing van het lichaam zegevieren over de zondeval. Deze dansers hebben een vrijheid en vermogen tot beweging die in principe voor het hele menselijke geslacht bedoeld is. In die zin bieden ze ons een tijdelijk, typisch beeld van wat de verlossing van het lichaam inhoudt.
Vaardigheid en strategie
De verlossing van het lichaam vindt haar voltooiing in de wederopstanding van het vlees, wanneer de aardse tent verwisseld zal worden voor de hemelse woning. Ons aardse lichaam blijft ook na Pasen aan zonde en vergankelijkheid onderworpen. Toch is het niet zo dat het lichaam enkel een bron van moeite en ellende is. Iets van de bevrijding van het lichaam, de harmonie tussen lichaam en geest en de vreugde van onze lijfelijkheid laat zich ook in het aardse, vergankelijke lichaam al ervaren. Bijvoorbeeld in sport als diep spel.
De dans brengt ons op het grensvlak van atletiek en esthetiek, van sport en kunst, van het vaardige en het sierlijke, maar ook van het schone en het heilige. (beeld Athena Grace/Lightstock)
De Amerikaanse bewegingswetenschapper Robert Kretchmar maakt onderscheid tussen deep en shallow games: diepe en oppervlakkige spellen. Oppervlakkige spellen zijn die spellen die je na één keer uitgespeeld hebt. Een raadsel bijvoorbeeld dat je eenmaal opgelost hebt, biedt daarna geen uitdaging meer. Diepe spellen zijn spellen die altijd uitdagend blijven, omdat ze een zekere balans kennen tussen vaardigheid, strategie en geluk. Iedere keer dat je zo’n spel speelt, begin je als het ware helemaal opnieuw. Dit geldt voor gezelschapsspellen en computergames, maar ook voor sportieve spellen waarin het lichaam volop meedoet.
Kretchmar voegt daar nog aan toe dat ook de zintuigen bij diepe spellen volop meedoen. De geur van vers gemaaid gras, de structuur van een basketbal, de atmosfeer in de sporthal binden je zintuiglijk bijna met een gevoel van verliefdheid aan het spel.
Geluksfactor
Een wezenlijk onderdeel van het diepe spel is, naast vaardigheid en strategie, de geluksfactor. Dat is iets om even bij stil te staan. Gereformeerden hebben het kaartspel afgewezen, omdat dit spel het geloof in het toeval zou versterken tegenover het geloof in Gods bestel. Abraham Kuyper verdedigt deze veroordeling van het kaartspel in Het calvinisme: ‘Het spel waarvan de uitkomst uitsluitend bepaald wordt door scherpte van blik, vlugheid van handeling en gerijpte geoefendheid, veredelt, maar een spel als het kaartspel […] kweekt het geloof aan een macht buiten God, die dan toeval heet of fortuin.’
Kuyper lijkt hier te vergeten dat ook strategische en vaardigheidsspellen in meer of mindere mate een geluksfactor kunnen hebben. Daarnaast zijn er kaartspellen waarvoor ook een bepaalde vlugheid of geoefendheid nodig is. Zijn onderscheid is te simplistisch.
Lichamelijke beweging, sociale interactie, ritme en muziek
zijn allemaal onderdelen van Gods goede schepping
Iedere sport, of het nu om zwemmen, hockey of judo gaat, vraagt om geoefendheid, scherpte en handelingssnelheid, maar bevat tevens een zekere mate van geluk. Bij kaartspellen als klaverjassen of hartenjagen is men enerzijds afhankelijk van de hand die men krijgt toebedeeld, maar bepalen anderzijds ook tactiek en geoefendheid de uitkomst van het spel. Dat neemt overigens niet weg dat er rondom sport en spel allerlei vormen van bijgeloof bestaan.
Dans in (on)genade
In deze bijdrage wil ik, naast de betovering van sport als diep spel, ook wijzen op de genade die er voor het christelijke lichamelijke leven ligt verscholen in de dans. Het lichaam doet mee in de christelijke geloofsovertuiging. We zien in de uitnemende prestaties van atleten en dansers dat onze door de zondeval beperkte lichamen nog tot heel veel in staat zijn. Innerlijke bevrediging van onze lichamen vinden we in diepe, atletische sportspellen. De dans voegt daar nog iets aan toe. Deze brengt ons namelijk op het grensvlak van atletiek en esthetiek, van sport en kunst, van het vaardige en het sierlijke, maar ook van het schone en het heilige.
Spijtig genoeg is ook de dans in de gereformeerde traditie afgewezen. Calvijn wees dansen af, omdat het volgens hem lust opwekt en uitnodigt tot promiscuïteit. Kuyper wijst er ter nuancering op dat het niet om een afwijzing van de dans als zodanig gaat: ‘Ook hier geen protest van calvinistische zijde tegen de dans op zichzelf, maar uitsluitend tegen de zonde die er zich in uitgiet en tegen de zonde waartoe ze verlokt.’
Emeritus hoogleraar in de theologie Albert Wolters gaat nog een stap verder en geeft in Creation Regained een nieuwe calvinistische visie op dans. Wolters wijst op het gevaar van het afwijzen van het geschapene vanwege het zondige. Hij stelt dat dit bij dans vaak is gebeurd in gereformeerde kringen, waar dans werd weggezet als werelds amusement. Daar tegenover poneert hij dat lichamelijke beweging, sociale interactie, ritme en muziek allemaal onderdelen zijn van Gods goede schepping. Deze onderdelen komen allemaal in de dans bij elkaar. Door provocatieve kleding, suggestieve muziek of teksten, drank- en of drugsgebruik kan de op zichzelf goede dans geperverteerd worden door de zonde. Hij pleit dan ook voor de heiliging van de dans, de ontwikkeling van een christelijke danscultuur en het ontdekken van de mogelijkheden van liturgische dans.
Liturgische dans
De combinatie tussen dans en liturgie is ook in Nederland besproken, bijvoorbeeld door de twintigste-eeuwse hoogleraar liturgiek Gerardus van der Leeuw. Hij verbond de dans aan het geloof in God de Vader. De Vader heeft alles in beweging gezet: ‘in den dans schemert de erkentenis van den zich bewegenden God. God bewoog zich […] en Hij zette ons op deze aarde in beweging. Dat is grootsch en ontroerend. Het is het begin van zijn werk in schepping en verlossing. Het is ook het begin van den dans.’ In het denken van deze hoogleraar horen kunst, rite, spel en cultuur bij elkaar. In de dans is het mogelijk dat schoonheid en heiligheid bij elkaar komen. Daarvoor moet de dans niet tot een onbereikbare kunst of juist bereikbaar amusement verworden, maar een religieuze uitdrukking zijn waarin het heilige en het schone verbonden zijn.
De dans is een vorm waarin het schone
en het heilige elkaar kunnen raken
In de GKv lag er in 1996 een rapport van de studiedeputaten eredienst op de synodetafel. Dit rapport stelde dat bij de lof op de HEER alle beschikbare middelen gebruikt mogen worden. Onder die middelen werd ook lichamelijke expressie genoemd: knielen, handgeklap, juichen en dansen. Ook werd vermeld dat het onnodige armoede zou zijn wanneer zulke middelen onbenut zouden blijven. Daarbij benoemden de deputaten in het bijzonder dat ze een sterke reductie merken als het gaat om het gebruik van het lichaam: ‘In de Bijbel voorkomende vormen als dans, processie, handgeklap, knielen, buigen, opheffen van de handen, omarmen, kussen, staan, en lopen zijn verdwenen.’
Een en ander laat zien dat het gebruikmaken van lichamelijkheid in de liturgie ontwikkeling verdient binnen de gereformeerde kerken. Dan denken we zeker ook aan de betekenis die dans daarin kan hebben. Want een eredienst zonder dynamiek, waarin het lichaam niet meedoet in de lof op God, amputeert die lof op God.
Met het oog op het evangelie van Pasen en Pinksteren, de opgestane Heer en de uitstorting van de Geest over alle vlees, is onze lichamelijke eredienst evenzeer een kans als een plicht. De voetbal, het judopak en de schaatsen moeten niet mee de kerkdienst in; die passen beter op de zaterdag dan op de zondag. Maar met de sport moet niet ook de lichamelijke beweging uit de eredienst geweerd worden. De dans is een vorm waarin onze lichamen de lof op God tot uitdrukking kunnen brengen, waarin het schone en het heilige elkaar kunnen raken.
Bronnen
A. Kuyper, Het calvinisme, Kampen (Kok), 2004.
M. Barnard, De dans kan niet sterven. Gerardus van der Leeuw (1890-1950) herlezen, Enschede (Meinema), 2004.
G. van der Leeuw, Wegen en grenzen. De verhouding van religie en kunst, Amsterdam (H.J. Paris), 1955.
A.M. Wolters, Creation Regained. Biblical Basics for a Reformational Worldview, Grand Rapids (William B. Eerdmans), 2006.
‘Rapport van de studiedeputaten eredienst’, in: Acta Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Berkel en Rodenrijs, 1996.
Louren Blijdorp is predikant van de Immanuelkerk te Enschede. Daarnaast is hij één van de hoofdredacteuren van Onderweg.



