Wie geeft er nog om de kerk?
- Opinie
- Thema-artikelen
Als kerk-zijn weer blij maakt, komt het geld vanzelf, schrijft Gerrit Riemer, want als je hart ergens van overloopt, is geld bijzaak. Een pleidooi om weer verzot op de kerk te worden.
In de jaren tachtig werkte ik mee aan de opbouw van de kerken op Papoea, Indonesië. Het financieel onafhankelijk maken van de kerken was misschien wel het heetste hangijzer. Ik weet nog goed dat een evangelist na een cursus boos op mij afkwam, omdat ik de cursisten 1 Timoteüs 6:10 had voorgehouden: ‘Want de wortel van alle kwaad is geldzucht.’ Ik had daar een lelijke boom bij getekend, een beetje à la Marten Toonder in zijn Donkere Bomen Bos. De metafoor van de wortel vraagt daarom. Het woord ‘geldzucht’ vormde de wortelstronk van de boom, het woord ‘kwaad’ was de stam en de takken verbeeldden allerlei uitwassen van dat kwaad. Dat hakte erin, zo bleek uit de boosheid die ontstond. ‘Denkt u echt dat wij zo in elkaar zitten? Moet u zeggen, rijke witte man!’
Hoe zou u reageren als ik diezelfde boom in uw tuin zou planten? Misschien hoopt u dat we die woorden van Paulus niet zomaar kunnen toepassen op onze tijd, onze mentaliteit en onze cultuur. Maar zou het hart van de mens veranderd zijn? Het Schriftwoord over de wortel van het kwaad zal echt wel gelden voor alle tijden en raakt dus wellicht ook ons geefgedrag. Dat is even slikken.
Uithaal
Paulus’ stevige taal over geldzucht keert ongetwijfeld niet het tij van het tanende geven voor de kerk. Er zijn diepere gedachten nodig. Woorden die ons raken in ons hart, die ons op onze plaats zetten en die ons doen beseffen dat alles wat wij bezitten niet van onszelf is. Zoals David in Psalm 24 belijdt: ‘Van de HEER is de aarde en alles wat daar leeft, de wereld en wie haar bewonen.’ Daarmee geeft David aan dat hij weet wie hij is en dat hij zijn plaats kent, inclusief de daaraan verbonden mogelijkheden, rechten en plichten.
God blij, evangelist blij, gever blij
Dit geldt voor alle mensen in alle tijden en op alle plaatsen. Dat bewijst zich in vergelijkbare verzen als Psalm 50:10, Haggai 2:7-9, Exodus 19:5 en in het Nieuwe Testament 1 Korintiërs 4:7 en 1 Timoteüs 6:7. In dat laatste vers bereidt Paulus de uithaal over geldzucht voor: ‘Wij hebben niets in deze wereld meegebracht en kunnen er ook niets uit meenemen.’
Dit moet een Bijbelse basislijn zijn in ons nadenken over ons bezit en ons geefgedrag. Dat begint met bewust belijden wat wij als gelovig mens hebben en wie wij zijn: rentmeesters en geen bezitters, niet van onszelf, maar van Christus, gekocht en betaald, kinderen van God. Dat was de rijke man die zijn schatten voor zichzelf hield vergeten. Hij was rijk, maar niet rijk in God (Lucas 12:21). Hij was zijn plek en zijn rechten en plichten vergeten. Jezus noemt hem een dwaas.
Pantomime
De Bijbelse grondgedachte over bezit en het delen daarvan wordt door het oude Israël prachtig uitgebeeld in de regel om bij de gersteoogst eerst een schoof te maken voor de Heer en die bij de priesters te brengen. En die gedachte van de eersteling komt vaker voor: de eerstelingen van de tarweoogst, van de vruchten, het deeg, de olie, de wijn, het koren. Je ziet het voor je: handen en voeten, lachende gezichten en blije priesters. Het onderstreepte de belijdenis dat alles van de Heer is, dat Hij de eerste is aan wie je moet denken als je je loon krijgt en je leven inricht.
Het geven van de eerstelingen laat als een pantomime zien: ‘Aan U behoort, o Heer der heren, de aarde met haar wel en wee, de steile bergen, koele meren, het vaste land, d’onzeekre zee’ (Liedboek voor de Kerken 479). Het toont het diepe vertrouwen van mensen die leven voor het aangezicht van God en maakt indrukwekkend duidelijk wat die mensen ten diepste willen: ‘laat dan mijn hart U toebehoren!’ Daar gaat het om, ook als we nadenken over ons geefgedrag vandaag.
Zou dit niet ons grootste verlangen moeten zijn? Dat we met heel ons hart van Hem zijn en dat we daarom automatisch eerst aan de Eerste denken als we onze inkomsten binnenkrijgen (zie ook Spreuken 3:9, NGB-1951)?
Lasten
In het oude Israël en in een economie van verzamelaars en jagers (zoals op Papoea, waar het leren omgaan met geld nog op gang moest komen) had je het ‘voordeel’ dat er in letterlijke zin gedacht kon worden aan het geven van de eerstelingen. Je vangt een paar vissen en geeft er één aan de evangelist. God blij, evangelist blij, gever blij. In onze monetaire economie is dat moeilijker. Wie denkt er nou eerst aan de Heer als hij zijn loon op zijn bankrekening ziet binnenkomen (als je dat moment al meemaakt)?
De vaste vrijwillige bijdrage wordt niet ervaren
als het brengen van de eerste schoof naar de priesters
Eerst iets apart zetten voor Hem: ik sta daar zelden bij stil. Eenmaal per maand wordt automatisch geld voor de kerk afgeschreven. Het valt onder mijn vaste maandelijkse lasten, naast belastingen, de energienota, verzekeringen en de rente van mijn aflossingsvrije (yes!) hypotheek. Daar is op zich niks mis mee, maar het is wel jammer. Ik mis de blijdschap van het eerstelingenmoment, waarin contemplatie verbonden wordt aan een rituele handeling.
Die verzakelijking kan zich tegen je keren. Het kan de geloofsbasis van je bestaan zo aantasten dat je geleidelijk vergeet dat je met heel je hart toebehoort aan God in de hemel. Die koude, administratieve vorm van ons geven is misschien mede de oorzaak van het bloedarme geefgedrag voor de kerk. Misschien.
Blijmoedig
Zou het helpen om een geefliturgie in te stellen, waarin met flappen zwaaiende mensen blij naar voren lopen? Ik denk het niet. Bovendien redden we het niet met uiterlijke vormgeving; er is een diepere oorzaak. Het stagneren van de inkomsten van de kerk heeft misschien wel helemaal niet te maken met geldzucht, een afgenomen besef van wat onze plaats is, een verminderd hartsverlangen om bij God te horen of de liturgische vorm van onze offerhandeling. Het omgekeerde is wellicht juist waar: door een toegenomen verlangen om voor God te leven, zoeken geldstromen een andere weg!
De koude, administratieve vorm van ons geven is misschien mede de oorzaak van het bloedarme geefgedrag voor de kerk. (beeld Floortje/iStock)
Geven speelde zich voor christenen vaak af tussen tussen de brandpunten kerk en diaconie. Die vanzelfsprekendheid begint nu allerlei scheuren te vertonen. Hebben kerken en kerkelijke organisaties dat aan zichzelf te danken? Misschien werd door het verzakelijken van onze geefhandelingen de passie gestaag om zeep geholpen. God heeft de blijmoedige gever lief, zegt Paulus in 2 Korintiërs 9:7, maar kan die blijmoedigheid wel gedijen in een geefcultuur die zich tooit met woorden als quota, vaste vrijwillige bijdrage, traktement, financiële verantwoording, begroting en collecte?
De VVB wordt niet ervaren als het brengen van de eerste schoof naar de priesters, wel als een opgelegde offergave, procentueel vastgesteld op basis van de hoogte van je inkomen. Die praktijk staat ver af van Paulus’ opmerking over de blijmoedige gever: ‘Laat ieder zo veel geven als hij zelf besloten heeft, zonder tegenzin of dwang, want God heeft lief wie blijmoedig geeft’ (2 Korintiërs 9:7, zie ook Psalm 119:108). Geefgedrag zonder blijdschap is ten dode opgeschreven.
Gek
Aan de hand van het voorbeeld van een voetbalclub proberen kerken weleens de logica van het geven te demonstreren: ben je lid van een club, dan is het logisch dat je contributie betaalt, toch? Ook is het logisch dat je meer betaalt als de kwaliteit beter is (het gras, de accommodatie, de trainer). Al die zaken hebben hun prijs en iedereen vindt dat logisch, ook al weten ze dat een zak geld geen goal kan scoren (Johan Cruijff). Dat doen de spelers die ze aanbidden. Dat doet het team waarvoor ze pal staan en die ze overal naartoe volgen om ze aan te moedigen. Het draait om passie. Geld is bijzaak en volkomen logisch.
De vergelijking met de voetbalclub loopt behoorlijk mank als er alleen maar geroepen wordt: als je lid bent van een voetbalclub, betaal je toch ook? Nee, het zit zo: als je gek bent van een voetbalclub, dán betaal je. Toegepast op de kerk: als je gek bent van de kerk, dan is betalen geen probleem. Precies dáár zit hem de kneep.
De kerk moet ongegeneerd en gepassioneerd
school van liefde willen zijn
De veilige vanzelfsprekendheid van vroeger bestaat niet meer. Steeds vaker kun je horen dat mensen wel veel hebben met geloven, maar niet met de kerk. Ze bedoelen dan de kerk als instituut, die bakken geld kost. Ze zoeken een uitweg. Is kerkloosheid een optie? Terug naar de basis, simpel en daadkrachtig geloven, als een soort beweging achter Christus aan, om goed en recht te doen, om lief te hebben en voor de schepping te zorgen. Dat is niet per se goedkoper, maar daar kan je hart van overlopen. En dan is geld een bijzaak. Daar organiseren we wel een inzamelingsactie voor, via crowdfunding bijvoorbeeld. Dat loopt als een trein.
Infrastructuur
Als kerk-zijn weer blij zou maken, zou de blijmoedigheid om te geven opbloeien. Met klassiek Schriftbewijs is makkelijk aan te tonen dat kerk-zijn onlosmakelijk verbonden is met geloven in God en in Christus, maar met dat soort argumenten red je het niet. Er is te veel misgegaan toen kerken wél volgens deze Bijbelse logica opgebouwd en onderhouden werden. Ze scheurden, keer op keer. Het werden kerken van ons kent ons. Kerken waar de ander – de andersgezinde, de andersgeaarde, soms zelfs de andersgekleurde – er niet bijhoorde en waar de vrouw de man onderdanig moest zijn. Je moet dit, je mag dat niet. Daar loopt de huidige generatie niet meer voor warm. Integendeel, ze lopen erbij weg.
Ik weet zeker dat het instituut kerk onmisbaar is voor alles waar het écht om gaat in het christelijke geloof: de komst van Gods koninkrijk, de eredienst, het doorgeven van het geloof, het doorklinken van Gods woorden van liefde en vergeving, het bevorderen van gerechtigheid, het betonen van ontferming, enzovoort. Maar dan zal de kerk ongegeneerd en gepassioneerd school van liefde moeten willen zijn, als infrastructuur onmisbaar voor de economie van Christus’ liefde in de wereld. Dan, geloof me, komt het geld vanzelf, omdat we dan weer gepassioneerd weten dat we éérst en voor alles willen leven voor deze God van liefde, die ons in het offer van zijn Zoon leerde om alles voor anderen over te hebben.
Gerrit Riemer is emeritus predikant van de GKv Onnen.



