Pleidooi voor een lichtvoetig kerkverband
- Opinie
- Thema-artikelen
Het lijkt aantrekkelijk: uittekenen hoe de christelijke kerk van morgen eruit moet zien. Schrap alle verouderde bepalingen, gum onnodige scheidslijnen uit en zet visionaire contouren op papier. Vooral: ga op de plaats waar de Heer je roept sámen aan de slag en kijk welke uitdagingen je tegenkomt. Teken op het witte laken van de tafel van de Heer. En koppel na een jaar of zo de ervaringen terug aan een groep kerkleden die je verantwoordelijk maakt voor de kerkorde. Of knapt u af op dat laatste woord, ‘kerkorde’? Is dat niet wat het kerkelijk leven zo loodzwaar maakt: structuren, regels?
Het leuke van mijn vakgebied, de kerkgeschiedenis, is dat je studie kunt maken van bijvoorbeeld de vroege Reformatie van de zestiende eeuw. Toen stonden energieke christenen voor de opgave om de kerk opnieuw te doordenken én vorm te geven. Daaruit werden ontwerpen geboren die wij vandaag als ‘kerkorde’ bestuderen.
Wat vind je in zo’n vroege kerkorde? Voorop staan vaak bepalingen over de predikanten. Wat is hun taak? Wie mogen tot het ambt van de bediening van het Woord van God toegelaten worden? Hoe toetst de kerk de mensen die zich presenteren?
Vervolgens vind je, bijvoorbeeld in de ontwerpkerkorde van Genève van 1541, een deel over de levensstijl en het geloofsleven van de voorganger. Welke zwakheden moeten aangesproken worden en welke zonden maken zijn functioneren onmogelijk? Tussen haakjes: als u dat een onprettig begin van een nieuwe kerkorde vindt, moet u maar bedenken of we het Meldpunt Seksueel Misbruik kunnen opheffen of niet.
Wat vind je verder in zo’n ontwerp? Natuurlijk een profielschets van de mensen die op Bijbelse taakvelden een goddelijke roeping en een kerkelijke aanstelling krijgen. Pastoraat, ziekentroost en stervensbegeleiding; hulp aan weeskinderen, vreemdelingen en kerken elders in Europa; publiek onderwijs en catechese in huis en kerk voor ‘bejaarden en kinderen’.
Het meeste vind je in zo’n ontwerp over de liturgie. Over Bijbellezing, doop, avondmaal (hoe vaak, hoe, wie mag aangaan, hoe bereiden we ons voor?), gebeden, psalmen en de instudering van nieuwe liederen.
De reformatie van de Rooms-Katholieke Kerk van toen helpt om de allergie tegen het woord ‘kerkorde’ af te leren. Als de Heer veel christenen geeft die samen kerk willen zijn, is dat een geschenk. Wat een gaven, wat een enthousiasme. Tegelijk is het een opgave om die met zonde behepte mensen met al hun verschillen te leren samenleven.
Kunstenaars
Een eerste kans van het nieuwe begin lijkt me een inventarisatie van taken en gaven, om de ambtsleer in rapport met de tijd te brengen. Om welke speerpunten vraagt de werkelijkheid die God ons in dit land geeft? Speerpunten om begaafde mannen en vrouwen in opdracht van Christus te wijden en te zenden. Misschien moet er een ambt van wijze komen voor contact met de overheid, die de kerken vertegenwoordigt en in naam van het evangelie spreekt. Niet als politicus, wel in de publieke ruimte.
In de kerken kunnen we leren van de ervaring die de NGK heeft met de inzet van zusters in het pastoraat en diaconaat. Van de missionaire gemeenten leren we van de vrouwen in leiderschapsteams. Wat is winst? Zijn er ook waarschuwingen te horen? Weten broeders zich door zusters uitgedaagd of doen de eersten een stapje terug?
Een bijzonder ambt lijkt mij weggelegd voor de musicus (m/v) en de dichter (m/v), die muziek en zang in de kerken voeden, zodat we die ontwikkeling niet door smaak laten sturen, maar dicht op de huid van de verkondiging houden. Geen ‘aanbiddingsleider’, wel bovenlokale kunstenaars die zich uit de Schriften laten voeden, in de talen en muziekstijlen van de volken die Nederland rijk is. Zodat ook migrantenkerken kunnen aanhaken bij dit hoogst elastische kerkverband.
Lichtvoetigheid
In 2016 mocht ik mijn werk als hoogleraar kerkgeschiedenis beginnen. Ik heb toen een verhaal gehouden dat uitging van een zinnetje in artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Daarin zeggen we van de katholieke christelijke kerk dat zij ‘verbreid en verstrooid’ is over de hele wereld.
In dat verband heb ik tegen het einde het volgende gezegd: ‘Het woordpaar “verbreid en verstrooid” zet de christelijke kerk direct in missionaire context. Niet het uitzenden van zendelingen is hier benoemd, maar wel wat individuen of groepen losbreekt van eigen land. Dat leert christenen als gast in het buitenland het evangelie mee te dragen. Het leert ook in eigen land vreemdelingen met christelijke gastvrijheid een kerkelijk thuis te bieden. Dat vraagt om flexibiliteit in gebruik van talen, om ruimte voor culturele verscheidenheid, om huizen die gestalte geven aan de gastvrijheid van de gemeente.’ Daarop volgde dit: ‘De vroege vormgeving van het kerkverband acht ik een lichtvoetige organisatiestructuur. Het is een relationeel netwerk, onderhouden door ontmoeting en tussentijdse correspondentie, maar met weinig overhead of extra personeelskosten. Hoe gemakkelijk verplaatsbaar dit netwerk was, zien we in de voorbereiding in ballingschap en implementatie in vrijheid.’
Wat zou het mooi zijn om bij de hereniging de contouren van een belijdenis te presenteren, actueel en toekomstgericht
Is het mogelijk om die lichtvoetigheid terug te pakken? Of zijn organisaties, ook kerkelijke, nu eenmaal topzwaar? Ik ben ervan overtuigd dat de band tussen de kerken lichtvoetig is. Een kerkorde van een paar bladzijden heeft al eeuwen lang volstaan. De enige contractuele band in deze multinational is dat wat we belijden te gelóven. En dat setje afspraken hoe we kerk willen zijn (kerkorde).
Geloofsregel
Het is belangrijk dat we de geloofsleer, zoals we die in de gereformeerde belijdenissen verwoord hebben, goed borgen. Wie een officiële opdracht ontvingen en wie de kerk vertegenwoordigen, moeten daar loyaal en inhoudelijk mee omgaan. Tegelijk is hereniging een mooi moment om actueel en toekomstgericht te verwoorden waar deze kerken in deze hervonden verbinding voor staan. Wat zou het mooi zijn om de contouren van een belijdenis te presenteren! Bijvoorbeeld vanuit de hoop op het komende koninkrijk en de verwachting van Christus’ komst.
Ik noem zo’n nieuwe zegging van het belijden actueel en toekomstgericht. Tegelijk kun je die verankeren in de geschiedenis die we samen ontvangen hebben. Dat is eerst de geschiedenis van Israël in de bedeling tot de volheid van de tijden. Vervolgens de heilsgeschiedenis van de messias, die de volken binnen het bereik van het evangelie brengt en de wereld verovert. De hoofdlijnen van de Bijbel vertellen: dat deed de vroege kerk in haar regula fidei, de geloofsregel die uit de Schriften put en het onderwijs stuurt.
Ten slotte kun je zo’n nieuw belijden verankeren in de geschiedenis van de christelijke kerk, met haar korte oecumenische credo’s, de middeleeuwse summa’s en de confessies van de Reformatie. Zo leg je de basis voor de ontwikkeling van nieuw catechetisch, missionair, confessioneel materiaal. Wacht daarin samen op meerder inzicht dat de Geest in de omgang met de Schriften kan geven.
De kerken kunnen samen onder woorden brengen waarin we tasten naar een visie, een antwoord. Waarin zijn we het eens als het gaat over homoseksualiteit en relaties? Dan heb je al veel te vertellen over het huwelijk als eenheid van man en vrouw, over de gemeente als vindplaats van geroepen zondaars, over de reikwijdte van Gods adoptie, over Christus’ alleengang, over de gemeente als huisgezin, over seksualiteit als beschadigde scheppingsgave. In dat kader kunnen vragen genoteerd en verwachtingsvol meegenomen worden.
Zo zou ik ook de charismata, de gaven van de Geest, willen benoemen. Wat weten we uit de tijd dat de kerk jong was en de Geest waaide? Wat horen we van ervaringen van genezing en heling? Op welke punten waarschuwen Schrift en Geest voor manipulatie? Waar botsen Bijbels en huidig wereldbeeld over lichaam en ziel, geest en boze? Zo’n belijdend zoeken past in een geloofsdocument dat hoopvol op de toekomst gericht is.
Post-its
Een breder gereformeerd verbond van kerken is naar zijn aard open en wervend. Je kunt een aanhaakplek creëren voor migrantenkerken die in één of ander opzicht een deelverbond willen sluiten, bijvoorbeeld ten aanzien van de theologische scholing. Of voor evangelische gemeenten die zich in het toekomstgericht belijden herkennen en daarvoor willen tekenen.
Over tekenen gesproken (want daar begon ik mee): op de tekentafel ligt een groot wit papier. Het wit – uitgewiste krassen van het verleden – bepaalt ons bij de tafel waar de tekenen van brood en wijn de contouren van zijn lichaam uitdrukken. Daarop plakken we post-its, leggen we archiefstukken, trekken we lijnen. Maar we bedenken dat de Heer eerst mensen in de kerken aan elkaar geeft. En dat Hij het is die ons kerk in de wereld doet zijn. Dat is de actualiteit, zonder pauze om in een vacuüm plannen te maken. Het schetsen van contouren gebeurt midden in de actualiteit van leven en sterven, zonde en genade, voorbeeldig leven en volmondig getuigen. Dat is de werkelijkheid van het Woord en de Geest die de contouren van de nieuwe kerkvorm voedt. Zijn lichaam vandaag vertegenwoordigen! Die gave is alle inzet waard.
Lees- en webtips
Erik A. de Boer, ‘Verspreid en verstrooid. Ecclesiologie van de diaspora en de reformatie van de Lage Landen’, inaugurele oratie als hoogleraar kerkgeschiedenis aan de TU Kampen, 19 februari 2016.
Een voorbeeld van eigentijds belijden is Our world belongs to God, een gereformeerd geloofsgetuigenis van de Christian Reformed Church in North America.
Dr. Erik de Boer is universitair docent aan de Theologische Universiteit Kampen.



